In gesprek met prof. Snijders

Geschreven door Fatima Jarmohamed & Hanneke Vollaers op 06-12-2017

In zijn werkkamer aan het prachtige Rapenburg werd de NOVUM door prof. mr. H.J. Snijders hartelijk ontvangen, waarna wij van wal staken met vragen over – onder meer – zijn studietijd, de functies die hij in de loop der jaren bekleed heeft en zijn visie op (juridische) actualiteiten.

Waarom hebt u destijds voor de studie rechten gekozen?
Ik heb, in tegenstelling tot vele anderen, heel bewust voor rechten gekozen. Eerst wilde ik Nederlands studeren – ik houd van taal. Op een gegeven moment kwam ik een advocaat tegen die me een en ander over het vak vertelde. Dat leek me interessant en zodoende ben ik rechten in Leiden gaan studeren. In de juristerij ben je ook veel met taal bezig, dus ik heb zeker geen spijt gehad van mijn rechtenstudie.

Hoe hebt u uw studietijd ervaren?
Je studietijd is de leukste tijd in je leven. Anders dan jullie, hadden wij naast onze studie nauwelijks baantjes. Wij hadden het minder zwaar. Je moet hard werken, maar je houdt voldoende tijd over voor andere, sociale dingen. Destijds heb ik nog een interfacultair dispuut opgericht, dat maandelijks bijeenkwam om te debatteren. Tijdens de debatten kwamen allerlei maatschappelijke onderwerpen aan de orde; denk hierbij aan macht, euthanasie, overbevolking en klimaat.

Hebt u ooit bedacht hoe u uw carrière wilde vormgeven?
Ik heb niets uitgedacht. Ik heb alleen op uitnodiging gesolliciteerd en gedaan wat op mijn pad kwam. Dat was een kwestie van geluk hebben. Gedurende het privatissimum raakte ik in gesprek met een van de topcivilisten van onze faculteit, wijlen professor Bloembergen, die me vroeg of ik bij hem wilde promoveren en dat heb ik gedaan. Na mijn promotie ben ik als advocaat bij Buruma aan de slag gegaan, waar ik een geweldige tijd heb gehad. De helft van de tijd besteedde ik aan cassatiezaken, de andere helft van de tijd hield ik me bezig procederen op het terrein van feitenrechtspraak. Na zes jaar in het vak te hebben gezeten, kwam de Erasmus Universiteit in beeld. Ik kon daar hoogleraar privaatrecht worden; ze zochten iemand die gepromoveerd was en ervaring had met cassatiezaken.  Mijn benoeming heeft behoorlijk wat voeten in de aarde gehad, ik was 31 jaar toen ik werd gevraagd en pas op mijn 33e ben ik benoemd. Destijds werd er al op het onderwijs bezuinigd en benoemingen lieten dan ook lang op zich wachten, een fractievoorzitter van de Eerste Kamer heeft nog flink gelobbyd voor de Rotterdamse faculteit om mijn hoogleraarschap voor elkaar te kunnen krijgen.

U hebt de Leidse rechtenfaculteit de afgelopen decennia van dichtbij meegemaakt en zien veranderen. Welke veranderingen springen wat u betreft het meest in het oog?
Het eerste dat opvalt is dat de faculteit nu één gebouw heeft. Vroeger zat de faculteit verspreid over vele kleine panden in de stad. Dat was wel gezellig hoor, maar voor de faculteit was het niet goed. Heel fijn dat de faculteit nu één en dan nog een heel mooie locatie heeft. Daarnaast heeft de universiteit nu meer geld. Toen ik in 1992 terugkwam in Leiden waren er veel meer studenten dan toen ik de universiteit had verlaten – we hadden toen wel 1200 à 1400 eerstejaars.  Ook had de faculteit een minder goede ranking dan nu. Faculteiten met minder studenten scoren over het algemeen beter omdat zij intensievere relaties tussen student en docent hebben. Destijds hadden we een slechte student-docent ratio. Onze ratio is inmiddels gelukkig verbeterd. Je kunt nu zeggen dat we groot in kleinschaligheid zijn, een motto dat ik nog voor personeelsadvertenties in onze faculteit heb aangedragen. Ook voor de relatie student-docent is het goed dat de faculteit nu één locatie heeft. Bovendien heeft de toegenomen bureaucratie een verandering teweeggebracht. Er moeten heel veel formulieren worden ingevuld; dat wordt bijvoorbeeld door externe visitatiecommissies en in landelijke protocollen en universitaire geëist. Zo moet er voor elk vak een vakbeschrijving worden gemaakt, moeten formulieren worden ingevuld voor practicum- en privatissimumopdrachten en dient van alles en nog wat geëvalueerd te worden. Ook het scriptieproces is omgeven van papierwerk. Bovendien moeten scripties en ook dissertaties steeds door minimaal twee personen begeleid worden. Dit levert een enorme werkbelasting voor docenten op. Zij zijn misschien wel twee derde van hun tijd kwijt aan paperassen en vergaderingen.  Het probleem van de toenemende bureaucratie is meer in het algemeen een probleem van onze tijd. Met de beste bedoelingen gaan we met dat sturen, controleren en toezicht op vele terreinen, zoals onderwijs, zorg en politie echt over de top. Dat houden we zo niet vol, maar het zal ook wel weer teruggedrongen worden, hoop ik. Al met al is de faculteit er toch zeker beter op geworden. Dat geldt ook in internationaal opzicht. Zo biedt de faculteit bijvoorbeeld tal van advanced masters aan waaronder de advanced master ‘International Civil and Commercial Law’. Vroeger zag je die internationalisering van het onderwijs vooral bij publiekrecht, maar tegenwoordig is ook het privaatrechtelijk onderwijs sterk geïnternationaliseerd. Leiden is op allerlei rechtsterreinen nu ook internationaal the place to be!

Naast hoogleraar en advocaat hebt u ook andere functies bekleed binnen het juridische veld. U bent werkzaam in de rechterlijke macht, als juridisch adviseur en arbiter en u bent betrokken bij diverse vaktijdschriften en studieverenigingen. Welke waarde dicht u uw nevenfuncties toe?
Ik ben veel van het een naar het ander gehobbeld. Ik heb het altijd leuk gevonden om ook andere werkzaamheden te verrichten. Rechten is, met uitzondering van de rechtsfilosofische tak, een vak waarbij je met beide benen in de klei moet staan. Tijdens mijn nevenfuncties heb ik aan den lijve ondervonden dat recht als middel kan dienen. Zo ben ik als bestuurslid van de Vereniging Achmea betrokken geweest bij het opstellen van een statutenwijziging waarbij de positie van de vereniging en haar ongeveer 8 miljoen bij de Achmea-groep verzekerde leden werd versterkt. Leden spreken nu over allerlei onderwerpen mee, over de zorgpremie, de morele dilemma’s die zich voordoen bij heel hoge kosten en weinig baat voor de patiënt, over concepten voor pensioen en wonen, over solidariteit bij schadeverzekeringen etc. Er zijn dus ongelooflijk veel belangen en gezichtspunten mee gemoeid die allemaal om aandacht vragen. Als jurist probeer je dan een zodanige structuur te creëren dat je dit alles faciliteert. Het interessante aan nevenfuncties is dat je in de praktijk ziet hoeveel je met het recht kunt bereiken.

U heeft tijdens uw loopbaan vele annotaties geschreven. Welke rol spelen annotaties volgens u in het juridisch debat?
Ik zou graag allereerst willen wijzen op de bijdragen van verschillende auteurs in Ars Aequi vorig jaar n.a.v. mijn 300e NJ-noot. Ik vind dat daar goede conclusies worden getrokken. NJ-annotaties hebben zeker invloed. De Hoge Raad leest deze annotaties met heel veel belangstelling. Annotaties zijn vaak het enige klankbord van de Hoge Raad. Soms ontstaat er een impliciete dialoog tussen een annotator en de Hoge Raad. Dat is prachtig. Het Nannini-arrest is daar een mooi voorbeeld van.[1] De Hoge Raad bepaalde, kort gezegd, dat een arbitraal vonnis alleen vernietigd kon worden als het vonnis in zijn geheel niet gemotiveerd was, al was de motivering nog zo ondeugdelijk. Dat heeft de Hoge Raad later ‘gepreciseerd’, mogelijk mede naar aanleiding van – niet op grond van – een opmerking daarover van mijn kant in mijn annotatie bij het arrest. Het is jammer dat de Hoge Raad niet altijd snel de kans heeft om iets te corrigeren. Maar niet alleen voor de Hoge Raad zijn annotaties van belang, ook de advocatuur pikt annotaties snel op. In de NJ annoteert natuurlijk de juridische top van Nederland, mij zelf terzijde latend.

Door de digitalisering kan ‘naming and shaming’ vrij makkelijk een zeer permanente vorm aannemen. Zo worden momenteel in het kader van #metoo een heel aantal acteurs beticht van onzedelijk handelen, zonder dat bewezen is dat zij de feiten waarvan zij worden beschuldigd daadwerkelijk hebben gepleegd. Dienen hier in het civiele recht remedies voor te worden geboden?
Het civiele recht kent voor dergelijke problematiek in principe de onrechtmatige daad. Ik denk niet dat er extra regulering nodig is. Het is leken helaas eigen om geen hoor en wederhoor toe te passen. Het is van belang dat je naar beide kanten van het verhaal luistert voordat je tot een conclusie komt. Gevoelig element in dergelijke zaken is ook dat men in geval van gebrek aan bewijs toch nog een beschadigd imago heeft. Zo is er ooit een kinderpsychiater beschuldigd van seksueel misbruik. Hij wilde bewijzen dat hij hier niet schuldig aan was. Dat is heel lastig. Ik heb hem geadviseerd geen zaak aan te spannen. Vaak is het eventuele slachtoffer de enige getuige naast de beschuldigde en dan wordt het een welles-nietes-verhaal.    Ook voor een slachtoffer is een civiel proces vaak erg belastend. Het zijn vaak heilloze zaken, zeker als die dateren van vele jaren geleden. Als slachtoffer moet je bewijzen dat iets gebeurd is. Ook dan heb je vaak te maken met zo’n één-op één-situatie. Als er al meer getuigen zijn, dan blijft het nog moeilijk. In het proces worden dan eerst de getuigen gehoord die de partij met de bewijslast heeft aangedragen. Uit dit verhoor rijst dan een bepaald beeld van de zaak op. In de contra-enquête (het tegengetuigenverhoor, red.) kunnen de getuigen van de zijde van de wederpartij dingen verklaren die haaks staan op hetgeen door de andere getuigen is verklaard. Dat werpt vaak weer een ander licht op de zaak. Als rechter balanceer je dan tussen beide kanten van het verhaal. Het is voor een slachtoffer heel moeilijk te bewijzen dat er iets is gebeurd, gesteld al dat er zoveel getuigen zijn. Je zou op dit terrein wel in het kader van mediation of een andere vorm van ADR het een en ander kunnen bereiken. Dit heeft echter alleen zin als beide partijen van goede wil zijn om daar wat van te maken.

Hoe bent u met het arbitragerecht in aanraking gekomen en hoe verhoudt de arbitrage zich tot de rechtsvorming?
Toen ik eenmaal bij de Erasmus Universiteit aan de slag ging, kwam ik in contact met wijlen professor Piet Sanders, over wiens persoon ik nog zoveel zou kunnen vertellen. Zo is hij in 1945 onder professor Cleveringa gepromoveerd. Hij gold en geldt nog steeds als de goeroe van de arbitrage; hij was een van de opstellers van het Verdrag van New York[2] en tevens een van de medeontwerpers van de UNCITRAL Arbitration Rules 1976 [3] van de Verenigde Naties. Hij heeft me gestimuleerd meer te kijken naar het arbitragerecht en zo kwam ik met deze niche in aanraking. Hoewel arbitrage vele voordelen kent, is deze particuliere vorm van rechtspraak niet het ideale mechanisme voor de rechtsontwikkeling omdat het toch minder mogelijkheden biedt voor rechtsvorming. Arbitrage is vertrouwelijker van aard dan zaken die aanhangig worden gemaakt bij de overheidsrechter, maar de arbitrale vonnissen worden – mits partijen hiermee instemmen – wel gepubliceerd in het Tijdschrift voor Arbitrage. De status van deze vonnissen staat echter niet op gelijke voet met ‘reguliere’ vonnissen en uitspraken. Dat gezegd hebbende, wordt zijn er met name op sectoraal vlak wel degelijk rechtsontwikkelingen te bespeuren. Zo gebeurt er momenteel veel binnen de bouwarbitrage en de transmaritieme arbitrage; ook uitspraken van het Kifid, het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (bindend adviezen vergelijkbaar met arbitrale vonnissen) worden binnen de financieel-juridische sector op de voet gevolgd. Het ietwat informele karakter werpt ook zijn vruchten af. Zo is er in de arbitragepraktijk meer ruimte voor door partijen aangedragen maatwerk. Men schudt elkaar ook de hand en tijdens de schorsingen drinkt men samen een kop koffie – op deze wijze wordt het ijs makkelijker gebroken. Daarbij moet gezegd worden dat de ernst zeker wordt bewaard, het gaat er wel degelijk hard aan toe. Maar de partijen hebben meer het gevoel dat zij hun ‘day in court’ hebben gekregen. Momenteel houd ik kantoor aan het Rapenburg, waar ik een prachtige werkruimte in gebruik heb mogen nemen. Ik ben voornemens om hier een grote ovale tafel neer te zetten, zodat deze ruimte ook voor de arbitragepraktijk kan worden gebruikt. Ik moet inderdaad toegeven dat ik tot die groep mensen behoor die meent dat de vorm van de tafel een invloed heeft op hetgeen aan die tafel besproken wordt – ik meen dat een ronde of ovale vorm van de tafel escalaties tempert en een positieve uitkomst bevordert.

U bent nog steeds bijzonder actief zo te horen. Waar haalt u de energie vandaan?
Ik denk dat mijn fascinatie mijn grootste bron van energie is, ik vind veel dingen heel interessant. Het komt heus wel voor dat ik af en toe niet zoveel zin heb om ergens aan te beginnen – die drempel ervaren meerdere mensen weleens, denk ik – maar als ik dan een halfuur bezig ben, verwonder ik me dan toch hoe bepaalde zaken in elkaar zitten en dan wil ik er meer van weten. Daarbij mag ik me bezighouden met ontzettend leuke zaken. Zo sprak het Gerechtshof Arnhem zich een poos geleden uit over de vraag of een Stradivariusviool rechtsgeldig was verkregen van een beschikkingsonbevoegde verkoper. De viool was in consignatie gegeven en zonder toestemming van de oorspronkelijke eigenaar geleverd aan een Nederlandse mecenas, die de viool in bruikleen had gegeven aan het Concertgebouworkest. Toen heb ik gevraagd of ik heel misschien op die viool mocht spelen. Helaas was dat dus wel ‘een ding’; dat ging niet zomaar. Er is toen in de plaats daarvan geregeld dat we een repetitie in het Koninklijke Concertgebouw mochten bijwonen en er werd een lunch georganiseerd met een aantal violisten. Ik verwachtte eigenlijk dat ze daar bij het Concertgebouw niet zo op zaten te wachten, dat er via-via allerlei mensen zouden komen kijken en lunchen, maar het was tegen verwachting in ontzettend leuk. Iedereen was erg gastvrij en bijzonder hartelijk en uiteraard heb ik toch nog een poging gewaagd om een klein stukje op die Stradivarius te spelen.

U bent nu honorair hoogleraar aan onze faculteit? Wat doet u zoals in die hoedanigheid?
Ik blijf ter beschikking waar men mij kan gebruiken. Zo geef ik bijvoorbeeld nog onderwijs in het Honours College, in de advanced master International Civil and Commercial Law, bij ons PAO en bij de Haagse vestiging in samenwerking met het Permanent Court of Arbitration, allemaal nog fijn om te doen. Ook begeleid ik nog 12 promovendi, eveneens intensieve en dankbare arbeid. Verder doe ik natuurlijk nog veel leuk pseudo-werk als beschermheer van studieverenigingen zoals Grotius, Mordenate College en Suum Cuique. Wat misschien nog niet iedereen weet: Grotius heeft ter gelegenheid van haar 100-jarig bestaan de Koninklijke Erepenning gekregen en mag zich voortaan Koninklijke Vereniging noemen. De burgemeester kwam de penning zelf uitreiken bij het galadiner in Slot Loevestein. Kom daar nog eens om!

Bent u een groot fan van klassieke muziek? Zo ja, waar blijkt dat uit? Met welke drie mensen zou u willen dineren?
Wellicht dat niet iedereen dat van mij weet, maar ik ben inderdaad een groot fan van klassieke muziek, van de opera en van de kunsten. Als ik met drie mensen zou mogen dineren zouden dat ook allen kunstbeoefenaars zijn. Allereerst zou ik graag het brood breken met Beethoven, hij is gewoonweg de koning van de muziek. Ook zou ik graag om de tafel zitten met Puccini, zijn opera’s zijn geweldig. Ik ben vorig jaar met mijn vrouw naar het Puccini Festival geweest in Torre del Lago Puccini, dat kan ik iedereen aanraden. Wat mijn derde disgenoot betreft, kan ik niet goed kiezen tussen Michelangelo of Rodin. Erg leuk om te horen dat de Erasmus Universiteit het vak ‘Recht en Opera’ aanbiedt, interessant dat daar aandacht aan wordt besteed. In Leiden kennen we natuurlijk ‘Recht en Literatuur’ als keuzevak en de lezingenreeks ‘Recht en Literatuur’, waar veel animo voor is. Ik denk dat het goed is dat juristen zich ook bezighouden met dergelijke kunstuitingen. Ik denk dat het sowieso aan te bevelen is dat juristen zich bezighouden met iets buiten het recht om. Ik speel met erg veel plezier viool, ook omdat ik dan mijn hoofd compleet leeg kan maken. Tijdens het spelen denk ik nergens aan, behalve aan de muziek.

Wat wilt u de Leidse studenten meegeven?
Beste studenten, houd je ook bezig met iets anders naast je studie voor de tentamens, de studietijd is een fantastische tijd die je nooit meer terugkrijgt. Geniet er vooral ook van!  

[1] HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380, NJ 2005, 190, m.nt. Snijders, r.o. 3.5.2. [2] Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken. [3] UNCITRAL Rules on Transparency in Treaty-based Investor-State Arbitration.


Verschenen in het NOVUM decembernummer van 2017.

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit In gesprek met