In gesprek met ... Janneke Vink

Geschreven door Lars Volborth op 10-12-2020

Janneke Vink (30) promoveerde vorig jaar in Leiden op dierenrechten (promotor: prof. mr. P.B. Cliteur). Dit jaar bracht zij een boek uit, onder dezelfde titel als haar proefschrift: The Open Society and Its Animals. De aanleiding tot het onderzoek was niet activisme of moralisme, maar verwondering over het gebrek aan erkenning voor dierlijke intelligentie. Mensenrechten funderen op menselijke waardigheid, terwijl de waardigheid van intelligente dieren niet als self evident wordt gezien. Het is uiteindelijk een 375 pagina’s tellend boek geworden waarin uiteengezet wordt waarom het verband tussen de huidige democratische rechtsstaat en de checks and balances niet meer in verhouding is tot dierenrechten.  

De in Leiden afgestudeerde en momenteel aan de Open Universiteit werkzame rechtsfilosofe stond aanvankelijk sceptisch tegenover dierengrondrechten. Ze vond het zelfs een bizar idee. Haar rechtstatelijke belangstelling deed haar verder kijken dan standaardbezwaren zoals dieren kunnen geen rechten afdwingen, en het argument dat verschillen tussen mensen en dieren groot en relevant zijn. Vink vraagt zich af wat wij aan de dieren verschuldigd zijn vanuit de principes van de democratische rechtsstaat. En hoe we die verschuldigde democratische en rechtsstatelijke consideratie op een manier kunnen institutionaliseren die niet zo absurd is als dierenrechten. Dat was de oorspronkelijke insteek. Maar die is gedurende de jaren gewijzigd.

Zij realiseerde zich dat het hele systeem van checks and balances van de democratie die zichzelf in stand moet houden, uitgaat van een mensbeeld dat ook voor mensen niet meer adequaat is. Ze gaan uit van de voor zichzelf opkomende, spraakzame, assertieve mens, terwijl we nu weten dat er een heleboel mensen zijn die dat niet kunnen, zoals kinderen, dementerenden en wilsonbekwame mensen met bepaalde psychische stoornissen. Het gaat uit van een bombastisch mensbeeld dat in de Verlichting zeer populair was, maar niet realistisch is. Zodoende kwam Vink uit bij rechten. Dat instituut is het laatste redmiddel voor individuen die buiten de boot vallen in de democratie.

De dieren waar het in deze context over gaat zijn sentiëntele dieren. Dieren met een gevoel, een eigen waarneming, een dier dat zijn eigen leven kan ervaren. Dit is volgens Vink theoretisch gezien het meest relevante concept. Welke diersoorten daar concreet onder vallen, is een vraag die biologen het beste kunnen beantwoorden. Over het algemeen weten we vanuit de wetenschap die nu bekend is dat met name zoogdieren hieronder vallen. Maar er zijn wel veel wetenschappers die stellen dat ook inktvissen bijvoorbeeld een hele belevingswereld hebben en ook intelligentie hebben waar we tot voor kort niet veel vanaf wisten.

Artikel 3:2a lid 1 BW stelt: dieren zijn geen zaken. Het artikel lijkt te suggereren dat dierenrechten wel degelijk zijn opgenomen in de wet. Wat is volgens u de betekenis van dit artikel voor de erkenning van dierlijke intelligentie?

Je zou kunnen zeggen dat het artikel in beginsel dierlijk sentiëntisme erkent. Er is gepoogd recht te doen aan het breed gedragen en “natuurlijk rechtsgevoel” dat dieren meer zijn dan slechts zaken, dat zij kortom wel degelijk anders zijn dan een tafel of stoel. Die eigen aard van het dier zou ook moeten leiden tot een bijzondere behandeling. Dat staat in de wetsgeschiedenis van het artikel. Op basis van de intrinsieke waarde (die in de Wet Dieren erkend wordt) is er een verschil tussen dieren en andere rechtsobjecten gemaakt. De betekenis die de wetgever aan deze intrinsieke waarde heeft willen geven, wordt in de wetsgeschiedenis zo uitgelegd dat bij politieke beslissingen die gevolgen hebben voor dieren, expliciet aandacht moet worden besteed aan de belangen van de dieren. Zelfs moeten we er dan naar streven de fysieke en ethologische impact zoveel mogelijk te beperken. Maar dit neemt niet weg dat in het Burgerlijk Wetboek de regels die voor tafels en stoelen gelden, ook voor dieren gelden. Dat staat namelijk in lid 2 van hetzelfde artikel. Het artikel in het BW is dus niet per definitie een spectaculair artikel, het hangt er wel vanaf hoe er in de praktijk invulling aan gegeven wordt. Hiervoor is jurisprudentieonderzoek nodig. Dierenrecht is internationaal een gevestigd rechtsgebied, maar in Nederland wordt er nog weinig onderzoek naar gedaan. Duitsland heeft dierenwelzijn bijvoorbeeld wel al in de Grondwet opgenomen.

Hoe werkt dat dan in Duitsland?

Daar hebben ze een toevoeging bij een bepaling gestopt die gaat over de bescherming van een natuurlijke leefomgeving. Ze hebben er simpelweg ‘und die Tiere’ achter geplakt. Wat zo’n bepaling karakteriseert is dat de staat erkent dat vanuit de staat een verantwoordelijkheid is voor de levens en welzijn van dieren. Zaken over dierenwelzijnsnormen zijn sindsdien anders behandeld. Eerst werden zaken hierover snel van tafel geveegd omdat in de Grondwet alleen mensenrechten stonden. Die gingen dus voor. Vaak werd dierenwetgeving opzij geschoven. Je ziet wel concrete veranderingen. Zo was er bijvoorbeeld de zaak van een vogeltje dat in een lijmachtige substantie vastgezet was, daardoor nog amper kon bewegen en vervolgens heen en weer geslingerd werd bij wijze van ‘kunstproject’. Aan de ene kant werd betoogd dat deze handeling in strijd met dierenwelzijnswetgeving was. De rechtbank erkende dat er sprake was van dierenleed, maar oordeelde dat deze kunstzinnige uiting onder vrijheid van artistieke meningsuiting viel. Dit soort zaken gebeurde vaker, politici werden er wanhopig van. De Minister sprak uit dat de dierenwelzijnswetgeving het papier waarop het geschreven stond niet waard was wanneer men niets zou doen aan de status hiervan. Na incorporatie in de Grondwet werd dierenwelzijn in rechtszaken wel erkend. Bijvoorbeeld in de zaak van een hoefsmid over voorschriften in het kader van het kappen van paardenhoeven. Normaal zou zijn gezegd ‘beroepsuitoefening staat als recht in de Grondwet’. Maar omdat dierenwelzijn nu óók in de Grondwet stond kon dierenwelzijn toen wel voorgaan.

Een andere bekende zaak ging over wetgeving waarin seks met dieren werd verboden. Bestialiteit noem je dat. Daarover gingen belangengroeperingen naar het Constitutionele Hof. Zij ervaarden dit als inbreuk op hun grondrecht van seksuele autonomie. Dat is in Duitsland een grondrecht dat wordt afgeleid uit twee andere grondrechten. Daarbij zag je ook dat de rechter in dit geval naar de Grondwet keek, waarin die staatsverantwoordelijkheid voor dierenwelzijn stond opgenomen. Wat deze groepering wilde, seks met dieren, werd verboden in een gewone wet, maar volgens hen werd dat juist beschermd door de hiërarchisch hogere grondrechten. De wetgever heeft juist door deze wet willen uiten dat dierenwelzijn in deze gevallen beschermd moest worden. Het hof accepteerde de inperking bij gewone wet. Maar dat kon alleen omdat dierenwelzijn óók in de Grondwet stond. Het was dus echt nodig om op te treden tegen praktijken die onder grondrechtelijke bescherming vielen.

Duitsland kent het toetsingsverbod niet zoals we dat kennen in Nederland. Een wet in formele zin mag in Nederland niet worden getoetst aan de Grondwet. Waarom pleit u toch voor verankering van dierenwelzijn in de Grondwet?

Zaken zoals die in Duitsland zal je in Nederland vanwege het toetsingsverbod en onze beperkingssystematiek niet snel zien. Maar een dierenwelzijnsbepaling in de Grondwet heeft in Nederland andere effecten. Een van die effecten is het zogenaamde vergrendelingseffect. Op het moment dat je zo’n bepaling opneemt wordt in de dogmatiek gezegd dat je niet meer terug mag gaan in termen van dierenwelzijnseisen. De kwaliteit van dierenwelzijnswetgeving mag niet meer afnemen. Je kunt je dan natuurlijk afvragen hoe je dat kan afdwingen. Dat ligt dan weer aan de betekenis die aan een dergelijk artikel wordt gegeven in de Eerste en Tweede Kamer. Als er een Nederlandse staatsdoelstelling over dierenwelzijn zou zijn, zou het voor de hand liggen dat bij nieuwe wetten over dieren de Raad van State in zijn advies ook aandacht heeft voor dierenwelzijn. Dierenwelzijn moet vervolgens ook aan bod komen bij de grondwettelijke toetsing die de Eerste en Tweede Kamer zelf uitvoeren. Het zou wel degelijk effect moeten hebben. Anders kan je je afvragen of de Grondwet überhaupt iets kan betekenen. Los daarvan zou zo’n staatsdoelstelling ook nog andere effecten kunnen hebben, zoals bij de invulling van open normen in dierenwelzijnswetgeving.  

Op de vraag of dit een voorbeeld is van hoe de bepaling in Nederland geformuleerd zou moeten worden antwoord Vink dat het in verschillende benamingen gegoten kan worden. Als voorbeeld noemt ze de term ‘dierlijke waardigheid’. Dan krijg je volgens Vink filosofen die met discussie over het begrip ‘waardigheid’ komen aanzetten, waar je volgens sommigen moeilijk een fundering voor kunt geven. Ze geeft als alternatief een bepaling waarin de staat de verantwoordelijkheid voor de levens van dieren op hun grondgebied erkent. De specifieke formulering is volgens Vink niet interessant. Het is interessant dat de staat dierenwelzijn als staatsaangelegenheid erkent en dat die betekenis eraan wordt gegeven door de Staten-Generaal. Wat volgt is haar democratisch rechtsstatelijke uitleg over de legitimiteit van dierenrechten.

Beslissingen genomen door de staat raken dieren. Hier speelt het begrip democratische reciprociteit een rol. Je neemt belangrijke beslissingen over het leven van dieren, en hier geef je ze wat voor terug. Het gaat om een basaal geven en nemen. Wederkerigheid tussen burger en staat, het sociaal contract idee. Er is pas een staat als we toestemming en macht geven aan degene die de staat representeert. Deze heeft legitimiteit voor zover hij de belangen van alle burgers meeneemt. Als je erkent dat dieren belangen hebben moet je als legitieme staatsvertegenwoordiger laten zien dat je ook die belangen meeweegt in je overwegingen. Anders krijg je te maken met een democratisch tekort. Als er belangen zijn die je niet meeweegt maar waar je wel politieke macht over uitoefent, dan krijg je een legitimiteitstekort.

Naast een staatsdoelstelling bespreekt Vink een andere optie in het boek, de optie van subjectieve dierenrechten. Dit zouden grondrechten voor dieren zijn, zoals mensen bijvoorbeeld het recht op leven hebben. Vink stelt weliswaar dat het onrealistisch en onwenselijk is om zulke dierenrechten vandaag de dag in te voeren, maar is wel van oordeel dat uiteindelijk alleen deze optie recht doet aan de positie van dieren.

Ik kan mij voorstellen dat mensen denken dat de impact van vergaande subjectieve dierenrechten op de samenleving, bio-industrie en in concreet de economie groot kan zijn. Denkt u dat deze optie van subjectieve rechten economisch gezien op den duur wel mogelijk is?


Laat ik vooropstellen dat ik geen econoom ben, de pragmatische uitwerking valt buiten de scope van het onderzoek. Het onderzoek gaat over democratische en rechtsstatelijke normen. Wat ik nu hierover ga zeggen zeg ik dus als geïnteresseerde burger en niet als wetenschapper. Mijn standpunt is niet dat we dit zomaar van de een op de andere dag dierenrechten zouden moeten invoeren, juist vanwege eventuele onvoorspelbare maatschappelijke effecten en het feit dat er nog geen draagvlak voor is. Maar ik wil best even met je meegaan in het gedachtenexperiment. Het is een feit dat de veehouderij voor een groot deel gesubsidieerd wordt. Als je kijkt naar wat met name de Europese Unie subsidieert aan niet alleen de veehouderij, maar ook akkerbouw, is het een sector die waarschijnlijk niet eens op eigen benen kan staan onder pure marktwerking. Dus vanuit het ideaal van vrije markt is sowieso iets af te dingen op de situatie nu. De markt is al niet meer zo vrij als die volgens Adam Smith zou moeten zijn. Er zijn veel mensen bezig met de ontwikkeling van plantaardige alternatieven, die het zonder subsidie moeten doen. Als de subsidie voor de veehouderij stopt zou er misschien meer ruimte zijn voor alternatieve vormen van voedselvoorziening. Ik denk ook dat we mogelijke economische schade in perspectief moeten zien. Het zou hier gaan om voortschrijdend moreel inzicht. Misschien moeten we vooraf niet al te alarmistisch over economische schade denken want de markt is elastisch. Toen werd gesproken over mogelijke afschaffing van de slavernij was ook de vraag: hoe kunnen we die goedkope arbeid vervangen, hoe zorgen we dat de economie overeind blijft? Het werd uiteindelijk afgeschaft. De markt past zich aan de nieuwe situatie aan. Het zou onder de streep economisch gezien misschien helemaal niet zo’n probleem hoeven zijn. Misschien loopt het tijdperk van vlees sowieso al op zijn laatste benen, ook vanwege alle milieuproblematiek. Dan is tijdig stoppen met de veehouderij en inzetten op plantaardige voedseltechnologie geen economische aderlating, maar mogelijk juist een vorm van innovatie die uiteindelijk leidt tot economische winst.

De coronacrisis heeft in ieder geval wel een economische malaise veroorzaakt. Het coronavirus is een direct gevolg van een voedselmarkt in China waar veel dieren op onnatuurlijke wijze dicht bij elkaar werden gehouden door mensen. Denkt u dat deze crisis een wake up call zal zijn?

Ik weet niet of het tot ander inzicht heeft geleid. Feit is wel dat als wij dieren met rust hadden gelaten, we nooit met corona hadden gezeten. Eens in de zoveel tijd ontstaat zo’n virus dat kan overgaan op mensen. Nergens ter wereld leven zoveel dieren op elkaar per vierkante kilometer als in Nederland. Uit onderzoek blijkt dat een kans aanwezig is dat zo’n virus zich ontwikkelt in de Nederlandse veehouderij en overgaat op mensen. Sterker nog: virologen zeggen dat de vraag niet is óf dit gaat gebeuren, maar wanneer. Het gaat vrij weinig over de oorzaak van corona. Hoe we kunnen voorkomen dat het nog een keer gebeurt. Experts zeggen dat het opnieuw zal gebeuren als we deze grote aantallen dieren dicht op elkaar behouden.

Keuzevak dierenrecht volgen? Janneke Vink geeft een keuzevak (5 EC) via de Open Universiteit dat op afstand te volgen is, met uitzondering van twee bijeenkomsten in Utrecht. De cursus start op 8 februari 2021 en informatie is te vinden en aanmelden kan via deze link. Het is het eerste vak Dierenrecht in Nederland. Aanmelden het liefst minimaal drie weken van tevoren.

J. Vink, The Open Society and Its Animals, Basingstoke: Palgrave Macmillan 2020 (ISBN 978-3-030-41923-3, xvi + 375 p., hardcover, € 83,19 / eBook, € 67,40)

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit In gesprek met