In gesprek met Elise van Zeeland

Geschreven door Jurian Bos op 15-03-2021

Elise van Zeeland is alumna van de Universiteit Leiden en tegenwoordig werkzaam als Government Relations Advisor en Strategy Advisor voor Shell Nederland en de President-Directeur Marjan van Loon. Voor haar tijd bij Shell liep ze jarenlang rond op het Binnenhof als politiek adviseur van voormalig D66-lijstrekkers Alexander Pechtold en Rob Jetten. Vorig jaar deed zij een oproep aan topvrouwen van D66 om zich kandidaat te stellen voor het lijsttrekkerschap, het is volgens haar immers hoog tijd dat er een vrouwelijke premier komt in Nederland. NOVUM sprak haar over de vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek, het belang van rolmodellen en de lessen die ze leerde op het Binnenhof.

Vorig jaar deed je, gesteund door een grote groep vrouwelijke D66’ers, een oproep in het AD aan de topvrouwen van D66 zich kandidaat te stellen voor het lijsttrekkerschap. Waarom was deze oproep nodig?  

Samen met een aantal prominente D66-vrouwen kwamen we tot de conclusie dat de Tweede Kamerverkiezingen op één punt al een uitgemaakte zaak leken. Bijna het gehele politieke landschap bestond toen namelijk nog uit mannelijke politieke leiders. Ook al hadden de SP en de Partij voor de Dieren dan wel een vrouwelijke lijsttrekker, een gevestigde middenpartij met een vrouw aan het roer was er op dat moment nog niet. Ik zag het daarom alweer gebeuren dat er bij de televisiedebatten straks alleen maar mannen in pak te zien zijn, in plaats van sterke vrouwen die een politieke voortrekkersrol vervullen.

Deze ondervertegenwoordiging is ook internationaal gezien heel opmerkelijk. Tijdens de eerste ‘corona-golf’ was er bijvoorbeeld veel aandacht voor vrouwelijk leiderschap; er verschenen artikelen waarin de link tussen een effectief coronabeleid en vrouwelijk leiderschap werd gelegd. Een prachtig voorbeeld hiervan is natuurlijk Nieuw-Zeeland, met Jacinda Ardern als premier.

Bij D66 was de positie van lijsttrekker nog geen uitgemaakte zaak. Onze oproep was daarom bedoeld als een uitnodiging aan de vele talentvolle vrouwen die de partij herbergt om zich verkiesbaar te stellen. Vrouwen hebben immers vaker een steuntje in de rug nodig. Onderzoek heeft uitgewezen dat als er een vacature bestaat waar tien criteria in staan, mannen al solliciteren als ze bij drie punten een overeenkomst zien. Vrouwen twijfelen daarentegen zelfs nog als ze aan zeven van de tien vereisten voldoen.

De bedoeling van onze oproep was dus vrouwelijke topkandidaten  aan te moedigen zich kandidaat te stellen. Om ze het gevoel te geven dat hun stem gehoord mag worden, en vooral dat er ook behoefte aan is. Laat er geen misverstand over bestaan, het gaat niet puur om het feit dat ze vrouwelijk zijn, maar om dat het goede vrouwen zijn. Het is vrijwel uniek dat een partij zoveel vrouwen op topposities in het (inmiddels demissionair red.) kabinet heeft. Van het woord ‘excuustruus’ kan niet worden gesproken, ze hebben allemaal ook een enorme staat van dienst. De uiteindelijke benoeming van Sigrid Kaag als lijsttrekker is dan ook een enorme positieve stap. Niet alleen voor D66, maar ook zeker voor het gehele Nederlandse politieke landschap.

Je stipt al even de staat van dienst van deze vrouwen aan. Had een Sigrid Kaag een dergelijke oproep überhaupt nog wel nodig?

Dat is een hele terechte vraag. We hebben deze aanmoediging geschreven zonder die topvrouwen in kwestie op voorhand te vragen hoe zij hierin stonden. Het was dan ook vooral een oproep voor gekwalificeerde vrouwen om hun hand op te steken. Wij wisten natuurlijk niet hoe die vrouwen er op dat moment instonden, uiteindelijk is het altijd iemands eigen keuze om voor het lijsttrekkerschap te gaan. Daarom hebben we het ook breder getrokken: we willen graag dat er representatie is in de politiek. Jonge vrouwen met politieke ambities hebben een rolmodel nodig. Vanuit die gedachte hebben we gezegd: topvrouwen bij D66, stel je kandidaat!

Is het aanmoedigen van dergelijke rolmodellen ook een van je voornaamste drijfveren op het onderwerp van vrouwenemancipatie?

Ik denk dat je dat wel zo kan stellen, al is dat bij beide netwerken waar ik aangesloten ben wel anders. Bij het Els Borst Netwerk, waar ik sinds juni 2019 voorzitter van ben, is Els Borst uiteraard het grote voorbeeld in politieke zin. Ze is natuurlijke vicepremier geweest en durfde echt de bestaande normen uit te dagen, bijvoorbeeld op het gebied van medische ethiek. We trekken ons bij het Els Borst Netwerk aan haar op, maar ook aan elkaar. Ik hoop dat we straks bij de Tweede Kamer- en gemeenteraadsverkiezingen terugzien dat er zoveel topvrouwen in de politiek bestaan.

Binnen het Els Borst Netwerk reiken we ook ieder jaar de Inspiratieprijs uit. Deze is vorig jaar gegaan naar Fonda Sahla. Zij woont in Transvaal, dit staat niet bekend als de beste wijk van Den Haag, waar ze zich inzet voor gelijke kansen. Ze organiseert bijvoorbeeld events waarbij jonge meiden met advocaten, artsen en lokale politici in gesprek kunnen gaan. Zo kunnen ook zij kennismaken met potentiële rolmodellen.

Ook zit ik in het bestuur van écrassée, een netwerk voor (jonge) vrouwelijke professionals. Een leuk feitje is dat een van de oprichters van dit netwerk, Dorrit Sliepen, oud-student is aan de Leidse rechtenfaculteit. Bij écrassée zijn we vooral elkaars rolmodel. We komen maandelijks in kleine groepen bijeen. We zijn elkaars klankbord over ervaringen op de werkvloer, dagen elkaar uit en leren door het uitwisselen van onze kennis ontzettend veel van elkaar. Iemand in je nabije omgeving kan dus ook een rolmodel voor je zijn, omdat die bijvoorbeeld zegt wat jij niet durft. Er is bij beide netwerken een grote nadruk op rolmodellen, maar dan op een andere manier.

Je ziet dat representatie een zoektocht is. Niet alleen een gelijkmatige verdeling van mannelijke en vrouwelijke Kamerleden, maar ook diversiteit in het geheel is natuurlijk erg belangrijk. Je wil dat Nederland in de breedste zin zich met ons parlement kan identificeren. Politieke talenten met een ondervertegenwoordigde achtergrond zijn er echt wel, maar je moet ze vroegtijdig signaleren. Hierin spelen rolmodellen een belangrijke rol. De meeste jongerenpartijen hebben op dit moment al een vrouwelijke voorzitter, dat is natuurlijk wel waar het begint. Bij de lokale gemeenteraden blijft de politieke vertegenwoordiging van vrouwen en mensen met een diverse achtergrond een punt van aandacht, dat komt vaak ook door de samenstellingen van de lijsten. Als je echter simpelweg stelt dat het talent er niet is zoek je gewoon niet goed genoeg!


Rolmodellen zijn dus essentieel, maar ze zijn er te weinig. Hoe sta je in dat kader tegenover het invoeren van ‘vrouwenquota’ in topfuncties en de politiek?

Representatie gaat uiteindelijk met vallen en opstaan, je ziet het bijvoorbeeld met het experiment van de TU Eindhoven. Daar is geëxperimenteerd met voorkeursposities voor vrouwen. Dat werd uiteindelijk zo ver doorgevoerd dat het in strijd bleek met de wetgeving voor gelijke behandeling. Daarom is het instellen van vrouwenquota ook zo’n complex vraagstuk. Aan de ene kant bevordert het de diversiteit, maar je kan natuurlijk geen ongelijkheid met ongelijkheid bestrijden. Persoonlijk ben ik er daarom ook geen uitgesproken voorstander van. Je moet de positie van vrouwen wel waarborgen, maar zowel mannen als vrouwen moeten gelijke kansen krijgen. Laten wij als vrouwen dan ook niet dezelfde fout maken als sommige mannen, door te denken dat één geslacht een voorkeursbehandeling verdient.

Aan de andere kant lijken we geen andere manier te kunnen vinden om deze ondervertegenwoordiging te doorbreken. Het gaat gewoon echt te traag. Als je de status quo wil veranderen is er dan ook een bepaalde mate van disruptie nodig. In dat licht bezien zijn vrouwenquota dan vooral een noodzakelijk kwaad. Het is de enige manier om een evenwichtige verdeling op relatief korte termijn te bewerkstelligen. Er zal veel scepsis zijn, maar wie weet bestaat binnen afzienbare tijd die vertegenwoordiging waardoor we die quota kunnen afschaffen.

Laten we realistisch zijn, ook binnen quote ga je niet een net afgestudeerde student benoemen, je benoemt iemand die gekwalificeerd is voor het werk. Misschien is dat iemand die niet op de radar staat, maar die er wel is. De site topvrouwen.nl heeft bijvoorbeeld een database waar vrouwen op staan die voor topfuncties in aanmerking kunnen komen. Die vrouwen zijn er namelijk gewoon, maar er speelt een ander probleem. Vrouwen gaan vaker parttime werken, en het CPB stelt dat je met minder dan fulltime werken niet de top kan behalen. Daardoor neemt de aanwas voor die topfuncties natuurlijk af.

Je ziet dat de vrouw regelmatig parttime gaat werken als er kinderen komen, vaak is de man ook wat ouder en verdient hij meer dus is dat een ‘vanzelfsprekende’ keuze. Die keuze hoeft alleen helemaal niet zo vanzelfsprekend te zijn. Belangenorganisatie WOMEN Inc. heeft bijvoorbeeld een tool ontwikkeld die helpt bij het maken van deze keuze. Ze nemen daarmee ook het ingroeien in bepaalde salarisschalen, leeftijd, mogelijke promoties et cetera mee. Het is belangrijk dat deze keuze niet te lichtzinnig wordt gemaakt. Daar moeten we ook oog voor houden als we een kweekvijver zouden willen vullen, om ervoor te zorgen dat niet alle vrouwen vast komen te zitten in de ‘deeltijdklem’. Het SCP (Sociaal Cultureel Planbureau red.) publiceerde hier vorig jaar nog een uitgebreid rapport over. Alleen bij een parttimebaan van ten minste 28 uur zou een vrouw een kans maken om door te stromen naar het middenmanagement, zo was de conclusie.

Men stelt vaak: ‘als je de top wil bereiken moet je er ook voor werken’. Maar willen we wel een maatschappij waar je alleen de top kan bereiken door fulltime te werken? Ik denk dat de coronacrisis ons in dat opzicht ook heel veel leert, omdat veel bedrijven nu inzien dat thuiswerken toch vaak goed te regelen valt, wat straks meer flexibiliteit geeft. Over vijf jaar vragen we ons echt af waarom we ’s ochtends allemaal in de file stonden om voor negen uur op kantoor te zijn.

Waarom is een vrouwelijke minister-president zo hard nodig?

Dat is heel simpel! Sinds 1848 zijn er alleen maar mannelijke minister-presidenten geweest, mag het een keer een vrouw zijn? Het is natuurlijk een bizar gegeven, de helft van de Nederlandse bevolking is simpelweg nog nooit direct vertegenwoordigd in het hoogste ambt dat je in ons land kan bekleden. Daarom vind ik het nu zo mooi om Sigrid Kaag, met al haar ervaring en kennis, op dit door mannen gedomineerde speelveld te zien, met een reële kans op een plek tussen de grootste partijen. En sinds kort is daar ook een vrouwelijke lijsttrekker voor de PvdA bijgekomen. Zo komen er steeds meer vrouwelijke lijsttrekkers – en groeien er nu jongens en meisjes op voor wie dat totaal vanzelfsprekend is.

Wat zijn de belangrijkste lessen die je, na jaren op het Binnenhof rondgelopen te hebben, hebt geleerd?

Het belangrijkste dat ik geleerd heb door mijn tijd op het Binnenhof is hoe het ‘écht’ werkt achter de schermen. Je merkt vaak dat nuances en context verloren gaan in de media, op het journaal zie je vaak een paar korte soundbites uit een debat dat dan zes uur geduurd heeft, en waar veel meer diepgang achter zit dan in die korte fragmenten naar voren komt. Ook heb ik heel veel respect gekregen voor politici, en dan met name om hoe hard ze werken. Het zijn mensen die altijd ‘aan’ staan, ze moeten altijd alert zijn of er iets in de samenleving gebeurd dat politiek relevant is.

Zelf ben ik begonnen met een bachelor bestuurskunde. Daar leer je van alles over hoe de praktijk in elkaar zit, maar je begrijpt het spel natuurlijk pas echt als je er middenin zit. Het is natuurlijk een beetje een open deur, maar ik heb er zoveel geleerd over het onder zware druk werken en het leveren van de juiste input in diverse situaties. Er komen zoveel zaken aan bod die je op de Universiteit niet zal horen. Je moet je universitaire basis zeker niet onderschatten, maar ik heb daar wel écht leren werken. Ik kijk er dan ook met ontzettend veel plezier op terug; iedereen die erover denkt om voor een partij te werken: doe het[! De wijsheid en ervaring die je daar opdoet neemt niemand je meer af.

Zelf heb ik de kans gehad om voor Alexander Pechtold te werken, in Leiden natuurlijk ook geen onbekende. Hij liep al jarenlang mee als een van de grootste politieke leiders van Nederland en D66, daar leer je uiteraard ontzettend veel van. De kers op de taart voor mij was het van dichtbij meemaken van de leiderschapswissel tussen Pechtold en Rob Jetten. Dat was heel bijzonder en leerzaam, om hem de eerste periode van zijn lijsttrekkerschap echt op weg te helpen. Ga er maar eens aan staan om op zo’n leeftijd een dergelijke functie te vervullen, daar heb ik ontzettend veel waardering voor. Gelukkig is Rob een megagetalenteerde politicus, als iemand non-stop kan werken is hij het wel, en – niet onbelangrijk – hij kan hoofd- en bijzaken ook ontzettend goed onderscheiden. Ook dat zijn kwaliteiten die je niet per definitie in je studie leert.

Inmiddels werk je bij Shell, als Government Relations Advisor en sinds kort ook als Strategy Advisor voor Shell Nederland. Was dit een logische keuze voor je?

Ik had voor mezelf bedacht dat ik graag in het bedrijfsleven wilde werken, bij een bedrijf waar een uitdaging zit. Shell is natuurlijk noodzakelijk voor onze maatschappij, door het leveren van grondstoffen voor producten die wij in het dagelijks leven gebruiken. Wat dat betreft staan we met Shell echt met beide benen in de maatschappij. Aan het begin van de coronacrisis hebben we bijvoorbeeld ook kosteloos grondstoffen beschikbaar gesteld, voor de productie van desinfecterende handgels, zodat de zorgsector voldoende voorraad had. Zelf heb ik ook een achtergrond in de bestuurlijke vragen van de zorg, en hou ik me nu bezig met energie. Beide sectoren behandelen toekomstgerelateerde vraagstukken. Hoe richten we onze maatschappij in? Hoe zorgen we ervoor dat Nederland in 2050 nog staat?

De uitdaging zit hem ook in de transitie naar nieuwe energie. Op dit moment hebben we de olie- en gastak volop nodig omdat onze maatschappij zo ingericht is, maar we weten ook dat we op de lange termijn de duurzame kant op willen. Hernieuwbare energie is echt de toekomst, dat zie je ook op Europees en internationaal (bestuurlijk) niveau.

Voor uw tijd in Den Haag heb je onder andere een master in Global Health Law and Governance aan de Queen Mary University of London gevolgd. Is het een aanrader om in het buitenland te studeren en kun je iets vertellen over de rol van het recht in de context van public health?

Na het behalen van mijn bachelor Bestuurskunde in Leiden volgde ik een master in Crisis Security Management op de campus in Den Haag. Hierna trok deze master in Londen mijn aandacht. Ik wilde iets in de richting van gezondheidszorg en bestuur gaan studeren, maar in Nederland bestond dat op dat moment niet. In Londen boden ze aan de medische faculteit wel een dergelijke master aan. Het ging daar heel erg over health interventions en de verplichtingen van overheden als het gaat om gezondheidszorg. Gezondheidszorg is een heel complex vraagstuk; het leidt altijd tot hele verdeelde debatten. De zorgportefeuille is in de Tweede Kamer ook juist een van de zwaarste omdat het zo complex is, zo’n grote omvang heeft, zowel in thematiek als qua financiën.

Wat ik merkte tijdens mijn studie is dat er grofweg twee stromingen zijn. Die van de Wereldgezondheidsorganisatie: “Health is a state of complete physical, mental and social well-being and not merely the absence of disease or infirmity.” Best een pittige definitie als dat voor iedereen op heel de wereld zo zou moeten zijn. En dat je alleen ‘health’ (gezondheid, red.) hebt als je in een dergelijke staat bent. Ook is er de zogeheten ‘Bill Gates’-stroming: gezondheidszorg voor iedereen is het einddoel, maar je komt er juist door een voor een ziektes uit te bannen. Dat zijn vraagstukken waar landen mee worstelen: waar moet je voor staan, wat kan de overheid dragen? Hierin zit ook een verschil tussen eerste- en derdewereldlanden. Tijdens de studie werden dan ook vragen gesteld als: heeft striktere wetgeving op het gebied van gezondheidszorg effect? Levert dat grotere gezondheidswinst op en waar heeft dat dan mee te maken? Hierin beland je dan weer op het bestuurskundige en sociologische vlak. In Nederland moeten we op dat vlak niet ongevoelig zijn over hoe goed we het hebben. Wij hebben een van de beste gezondheidsstelsels in de wereld, en dat moeten we vast zien te houden. Dat vraagt een dergelijke scherpe blik. De meeste debatten omtrent gezondheid in de Kamer hebben een juridisch randje, het is daarom opmerkelijk te noemen dat het aanbod van soortgelijke studies in Nederland nog niet zo groot is. Daarom kunnen we dit zien als een kans, er is dus een mogelijkheid onze kennis en expertise op dit vlak nog verder te vergroten.

Wat betreft studeren in het buitenland: als je de mogelijkheid hebt, doe het! Je kan heel veel beurzen aanvragen, daar heb ik zelf ook gebruik van gemaakt. Wat ik daar echt geleerd heb is hoe hard je moet werken vergeleken met de Nederlandse universiteiten. De grootste dagactiviteit was daar ook echt het studeren zelf. We zaten met een kleine groep van rond de vijfentwintig studenten in mijn jaar, dus als je een keer een artikel niet gelezen had viel dat meteen op. Het studieklimaat was daar dus veel intensiever, het grote voordeel in Nederland is dat je dingen naast je studie kan doen die zorgen voor je algemene ontwikkeling.

Wat zou je studenten vooral willen meegeven?

Doe vooral dingen naast je studie, zorg ervoor dat je meer doet dan alleen studeren. Er is niet een vast pad na je studie, als je een bepaalde studie volgt betekent dat niet per definitie dat je leven in die richting hoeft te lopen. Geef jezelf bredere handvatten om klaar te zijn voor de echte wereld. Die ervaring doe je op door bij een studie- of studentenvereniging te gaan, actief te worden in een commissie, of stage te lopen. Dat soort dingen geven je heel veel kansen en ingangen. En daar doe je vooral jezelf een plezier mee.

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit In gesprek met