In gesprek met Peter van Es

Geschreven door NOVUM op 17-08-2015

Voor de EL CID-editie is de NOVUM in gesprek gegaan met mr. Peter van Es, vanaf september de portefeuillehouder Onderwijs binnen het faculteitsbestuur.

U hebt Nederlands recht aan de Universiteit Leiden gestudeerd. Waarop heeft u de keuze hiervoor gebaseerd en hoe verliep de studie?
Na de middelbare school twijfelde ik tussen rechtsgeleerdheid en geneeskunde, maar omdat ik uitgeloot werd voor geneeskunde werd mij de uiteindelijke keuze toen bespaard. De propedeuse rechtsgeleerdheid zat eind jaren tachtig boordevol vierkeuzenvragen. Sommige mensen ligt dat en anderen niet. Ik moet zeggen dat ik tot die laatste categorie behoor; dat betekende dat ik zonder al te veel moeite, zonder al te veel echte kennis en zonder al te veel echte interesse in één jaar het propedeuseexamen haalde. Het volgende jaar werd ik wel ingeloot voor geneeskunde. Vervolgens heb ik enige tijd voor beide studies tegelijk ingeschreven gestaan. De theoretische vakken bij geneeskunde spraken mij wel aan, maar de in die tijd net verplicht ingevoerde verpleegstage leerde mij dat het ziekenhuisleven mij niet zo aansprak. Het werd dus definitief rechten. De echte interesse voor het recht is pas gekomen toen ik in het derde en vierde jaar colleges volgde bij prof. Kleyn, een hoogleraar burgerlijk recht die bij mij een blijvende belangstelling voor dit rechtsgebied heeft aangewakkerd.

Wilt u hiermee zeggen dat rechtenstudenten moeten volhouden en de studie niet te snel moeten opgeven?
Ondanks alle voorlichtingsdagen en proefcolleges weet de gemiddelde rechtenstudent volgens mij niet waar hij aan begint. Er is op de middelbare school immers geen enkel vak dat met deze studie te vergelijken is. De propedeuse geeft een mooi algemeen beeld van wat rechtsgeleerdheid in al haar verscheidenheid inhoudt. Het gaat hier echter om inleidende vakken en zoals volgens mij bijna altijd opgaat, wordt iets pas echt interessant als je echt diep op stof kan ingaan, en dat is dus later in de studie. Anderzijds geldt volgens mij ook dat voor ieder nieuwsgierig persoon met een juiste academische houding alles waarin hij zich echt verdiept, interessant wordt. Mijn eerste gedachte is dus, niet te snel zeggen: “ik vind het niet leuk, ik hou er mee op”. Anderzijds is er tegenwoordig in het eerste jaar een belangrijk keuzemoment op 1 februari. Wanneer de studie je echt helemaal niet ligt kan het daarom verstandig zijn er tijdig mee op te houden. De taaltoets kan ook een rol spelen bij de keuze om al dan niet door te gaan met studie. Zonder enig gevoel voor taal is het lastig afstuderen en zul je het als jurist in ieder geval niet ver schoppen. Reden om een andere studie te kiezen waar taal minder belangrijk is.

Wat kunt u nog meer over uw studententijd vertellen?
Het was voor mij allemaal heel aangenaam maar niet altijd even verheffend. Het is in deze tijd onvoorstelbaar, maar men mocht in mijn studietijd nog zes jaar over de studie doen (voorzien van een niet eens zo karige basisbeurs). Daar komt bij – ik schaam mij om het te zeggen – dat ik nog een jaar extra (gefinancierde) studie kreeg omdat ik van studie was veranderd. Andere tijden. Er was dus al met al genoeg gelegenheid voor ‘zelfontplooiing’, wat dat ook moge zijn. Ik reken er maar alle oeverloze (met drank overgoten) gesprekken onder die ik tot vroeg in de ochtend voerde met mijn huisgenoten. Daarnaast heb ik – binnen de categorie aantoonbaar nuttige zaken – enkele maanden in Schotland gestudeerd en een stage gelopen bij een advocatenkantoor. Ik moet zeggen dat aan het einde van mijn studietijd en ook in de jaren daarna, mijn belangstelling voor het recht groeide. Soms heb ik daarom wel eens spijt dat ik niet meer uit mijn studietijd heb gehaald door veel meer colleges en lezingen bij te wonen. Ook een tip voor de student van nu: er zijn vele leuke activiteiten en lezingen van prominente en inspirerende personen op het KOG, ga er eens heen!

Hoe verliep uw loopbaan na uw afstuderen in Leiden?
In 1992 na mijn afstuderen moest ik – als één van laatste – nog de militaire dienstplicht vervullen. Ik werd als zogeheten ROAG (reserve-officier academisch gevormd) geplaats in Woensdrecht, waar de F16 piloten het eerste jaar van hun opleiding genoten. Mijn taak was om een juridische acceptabele procedure op te zetten op grond waarvan de aankomende piloten die niet voldeden, naar huis konden worden gestuurd (een soort BSA voor piloten dus). Het probleem waar ik tegen aanliep was dat militairen niet zo houden van juridische nuances en dossiervorming. De opleiders kende maar één criterium; deugt die vent (en bij helikopters 9Het Gesprek NOVUM Juridisch Faculteitsblad der JFV Grotius ook een enkele keer een dame) en zou jij met hem of haar in “een bak” willen zitten. Zo neen: dan was het exit. Tijdens mijn diensttijd had ik vrij veel tijd over en heb ik een begin gemaakt met de studie notarieel recht aan de UvA. Deze studie heb ik daarna vrij spoedig kunnen afronden.

Waarom de keuze voor de Universiteit van Amsterdam en vielen u verschillen op tussen de UvA en UL? Ik woonde inmiddels in Amsterdam, vlak bij de juridische faculteit van de UvA, de Oudemanhuispoort. Een geweldige plek, maar de organisatie van de studie was enigszins chaotisch. Secretariaten waren heel moeilijk bereikbaar en het was geen uitzondering dat docenten zonder bericht bij colleges niet kwamen opdagen. Die colleges werden dan ook niet ingehaald. Ik had er niet zo’n moeite mee en dacht dat dat gewoon hoorde bij een echte academische gemeenschap. Ik denk dat in de huidige tijd, met de huidige maatregelen vanuit de overheid, de mindset van de student anders is. Er wordt meer gevraagd van studenten en de student mag daarom ook meer verwachten en vragen van de universiteit.

Bent u na uw afstuderen aan de UvA meteen in diens getreden bij de Universiteit Leiden?
Nee, na mijn afstuderen heb ik eerst 3,5 jaar als kandidaat-notaris gewerkt bij het notariaat van de Brauw Blackstone Westbroek in Den Haag. Ik heb daar mijn verdere academische loopbaan veel plezier van gehad. Het eerste wat ik daar geleerd heb is hard werken. Niet dat er op de universiteit niet hard gewerkt wordt, maar ik ervaar dat anders. De echte overuren worden door de docenten over het algemeen gemaakt als het gaat om hun onderzoek en dat voelt voor velen toch een beetje als hun hobby. Wat mij op de een de een of andere manier ook sterk is bijgebleven van de jaren in de praktijk is de wijze waarop – bijvoorbeeld per e-mail – gecommuniceerd werd. Altijd vriendelijk maar de boodschap tussen de regels door kon een heel andere zijn. Een ‘truc’ die vaak gebruikt werd om de verantwoordelijkheid of de ‘zwarte piet’ bij een ander te leggen.

De Brauw in Den Haag stond in de jaren ‘90 een beetje bekend als een wetenschappelijk kantoor. Het kantoor had een grote en zeer goed aangeschreven cassatiepraktijk en een prachtige bibliotheek. Ik had regelmatig cliënten die het zich konden permitteren om meer uitgebreide adviezen te vragen en dit betekende dat ik uitgebreid literatuuronderzoek kon doen. Ook bestond er een wekelijks overleg tussen de jonge medewerkers van ondernemingsrecht en prof. Van Schilfgaarde, een buitengewoon inspirerende advocaat en wetenschapper. Ik bleek veel aardigheid te hebben in de meer wetenschappelijke aspecten van het werk en gaandeweg ontstond het idee om te promoveren.

Promoveren in de rechtsgeleerdheid roept nogal eens het beeld op van iemand die zes jaar lang op zijn kamer achter de boeken zit. Klopt dit beeld?
De meeste promovendi combineren het promoveren met het geven onderwijs. Daar zit dus al de nodige afwisseling. Zelf deed ik promotie-onderzoek bij de afdeling Rechtsgeschiedenis (bij prof. Zwalve) terwijl ik doceerde bij de afdeling Notarieel recht. De basis van veel juridisch onderzoek is literatuur en jurisprudentie, dus in zoverre geschiedt het onderzoek zeker achter het bureau. Omdat mijn proefschrift een grote historische component had, moest ik ook regelmatig oude boeken raadplegen in een bijzondere afdeling van de UB. Ik was op zoek naar het antwoord op de vraag bij wie een bepaalde gedachtegang voor het eerst was ontstaan, dus dat voelde soms wel als zoeken naar een speld in de hooiberg. Ik vond het wel een bijzondere sensatie om boeken in de hand te hebben waarvan je wist dat zij al decennia niet waren opengeslagen.

Hoe kijkt u tegen de relatie tussen de juridische opleiding en de praktijk?
Laat ik voorop stellen dat ik het belangrijk vind dat degenen die hun rechtenstudie hier in Leiden hebben voltooid, een baan vinden. Wij moeten de studie dus altijd zo inrichten dat onze afgestudeerden van waarde zijn voor de praktijk. Aan de andere kant denk ik dat het belangrijk is dat wij niet met alle winden meewaaien en aandacht proberen te besteden aan alles wat op enig moment in de praktijk leeft. Een jurist die in Leiden is afgestudeerd moet een degelijk fundament hebben en een juridische manier van denken hebben aangeleerd. Dat laatste houdt in ieder geval in dat je niet te snel tevreden bent een oplossing maar hierbij steeds weer nieuwe haken en ogen kunt signaleren. Het houdt ook in dat je kunt inspelen op nieuwe ontwikkelingen in het recht; dat is belangrijk want het recht staat na het afstuderen niet stil. Een voorbeeld ter illustratie. Jaren geleden hoorde ik het verhaal van een oud-advocaat die ooit solliciteerde naar de functie van jurist bij de KNVB. Gevraagd wat hij wist van sportrecht antwoordde hij: “In het geheel niets, maar ik ben een jurist en ik ben daarom gewend mij snel nieuwe rechtsgebieden eigen te maken”. Hij werd – zo wil het verhaal – aangenomen.

Tot slot; hoe kijkt u aan tegen uw nieuwe functie van portefeuillehouder onderwijs en heeft u nog tips voor de aankomende studenten?
Als verantwoordelijke voor het onderwijs op de faculteit zal ik met veel uiteenlopende kleine en grote dossiers te maken krijgen. Variërend van praktische zaken (denk aan het Onderwijsinformatiecentrum) tot beleidskwesties. De huidige portefeuillehouder onderwijs (Pauline Schuyt) heeft bergen werk verzet en een omvangrijke curriculumwijziging in de bachelor tot stand gebracht. De komende jaren zullen de effecten hiervan moeten worden gemeten en geanalyseerd om te beoordelen of de wijziging heeft gebracht wat wij er van hoopten. Wat betreft de tips aan aankomende studenten: ik geloof dat er hierboven al een enkele staat vermeld. Een tip zou natuurlijk ook kunnen zijn om niet te veel naar tips te luisteren maar je eigen weg te gaan. Toch nog één verborgen tip. Men kan op veel manieren plezier beleven aan de studententijd. Denk hierbij niet al te veel aan de korte termijn en haal intussen wel je vakken, zodat je het plezier nog over vier of vijf jaar kunt uitsmeren.

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit In gesprek met