Voor het eerstejaars bachelorvak Grondslagen van het Recht dienden studenten drie schrijfopdrachten te
maken. De eerste schrijfopdracht betrof het schrijven
van een inleiding over het rechtsfilosofische onderwerp
‘natuurrecht, cultuurrecht en positief recht’; voor
de tweede schrijfopdracht moesten studenten een middendeel
schrijven over het privaatrechtelijk onderwerp ‘belofte
maakt schuld’; voor de derde schrijfopdracht, ten slotte,
dienden studenten een inleiding, middendeel en conclusie
te schrijven over het staatsrechtelijke onderwerp ‘de
democratische rechtsstaat onder druk’. De docenten
hadden de taak om uit hun werkgroepen telkens de beste
van deze derde schrijfopdracht te selecteren en deze voor te
dragen voor de Katadreuffe Wisselbokaal. Dit resulteerde
uiteindelijk in vijfentwintig schrijfopdrachten waaruit de
afdeling Encyclopedie de tien besten heeft gekozen. Deze
tien zijn vervolgens overgedragen aan de directeur Onderwijs
Peter van Es die hieruit op zijn beurt de drie beste heeft
gekozen. Het juridisch betoog van de uiteindelijke winnaar,
Joris van de Riet, staat hieronder afgedrukt. Tijdens de
opening van het facultaire jaar 2017-2018 zullen de
nummers twee (Martijn van Rijen) en drie (Jurian Bos) een
eervolle vermelding ontvangen en de winnaar de Katadreuffe
Wisselbokaal en een cadeau.
Inleiding door: Gelijn Molier, Universitair Hoofddocent afdeling
Encyclopedie
Inleiding
In een van de meest iconische scènes
uit Star Wars roept grootkanselier
Palpatine zichzelf onder luid applaus van de verzamelde leden van de Senaat uit
tot keizer van het Eerste Galactische Keizerrijk, dat in de plaats komt van de
Galactische Republiek.[1]
Men zou Star Wars wellicht nog af kunnen doen
als “slechts een film”. Niets is minder waar. Palpatines staatsgreep is
gebaseerd op een reeks aan historische voorbeelden, in het bijzonder
nazi-Duitsland:[2] in beide landen was sprake
van een democratie die zichzelf op min of meer democratische wijze afschaft[3] en wordt vervangen door een
dictatuur. In een tijd waarin partijen en politici die openlijk vijandig zijn
tegen de democratische rechtsstaat snel terrein winnen[4]
is het daarom des te belangrijker om deze voorbeelden te bestuderen en te
zoeken naar mogelijke oplossingen voor de problemen die aan het falen van de
democratische rechtsstaat ten grondslag liggen.
In dit
artikel zal het concept van de “democratische zelfmoord” worden bekeken aan de
hand van twee vragen: een naar het probleem, en een naar mogelijke oplossingen.
De eerste vraag betreft het identificeren en verklaren van de verschillende
bedreigingen voor de democratische rechtsstaat; de tweede de middelen die
kunnen worden gebruikt om deze bedreigingen het hoofd te bieden. Hierbij zal
eerst aandacht worden besteed aan de interne spanningen van een democratische
rechtsstaat, en met name het conflict tussen democratie enerzijds en
rechtsstatelijkheid anderzijds. Vervolgens zal worden gekeken naar politieke
partijen die proberen om de democratische rechtsstaat af te schaffen, en naar
mogelijkheden om dit tegen te gaan.
Spanningen binnen de democratische rechtsstaat
Om iets zinnigs te kunnen zeggen over
de spanningen binnen een democratische rechtsstaat zal men eerst moeten
definiëren wat “democratie” is en wat een “rechtsstaat” is.
In
de talloze verschillende definities van “democratie” die gegeven kunnen worden[5] is in ieder geval één
gemeenschappelijk element te herkennen: de burgers hebben invloed op de
besluitvorming.[6] De verschillende opvattingen
over democratie kan men onderverdelen in een drietal grote stromingen.
Enerzijds is er die van de formele democratie, waarin de democratie vooral
wordt beschouwd als een besluitvormingsproces.[7]
Tegenover deze formele opvatting staat die van een materiële democratie: hierin
is de democratie onlosmakelijk verbonden met een reeks fundamentele waarden en
beginselen, met name die van de rechtsstaat.[8]
Tussen deze twee opvattingen in bevindt zich die van democratie als
zelfcorrectie: hierin is vooral de mogelijkheid om eerdere beslissingen op
democratische wijze te corrigeren van belang.[9]
Een
sluitende definitie van “rechtsstaat” is moeilijker te geven.[10] Een aantal aspecten komt
echter vaak terug, waaronder het “verschansen” van belangrijke rechtsbeginselen
in een grondwet en een vorm van constitutionele toetsing.[11]
De
mate waarin democratie en rechtsstaat verenigbaar zijn is afhankelijk van de
democratieopvatting die men aanhangt. In een puur formele democratie is voor de
legitimiteit van besluitvorming enkel van belang of de beslissing steun heeft
van een meerderheid: constitutionele toetsing is in deze opvatting dus vooral
een belemmering voor de democratie. Als men daarentegen een materiële
democratieopvatting aanhangt vormt de rechtsstatelijkheid een integraal
onderdeel van de democratie: “democratie en rechtsstaat zijn niet los
verkrijgbaar”, aldus Ernst Hirsch Ballin.[12]
Een
materiële democratieopvatting neemt echter niet weg dat (rechterlijke) toetsing
van wetten het probleem van een democratic
deficit met zich meebrengt: het buitenspel zetten van democratisch tot
stand gekomen wetgeving door een niet democratisch gelegitimeerde rechter vormt
volgens velen een inbreuk op de democratie,[13]
en rechters zullen dan ook terughoudend moeten zijn in het toetsen van
wetgeving, juist om hun eigen legitimiteit te behouden.[14]
Antidemocratische partijen
Naast bovengenoemde spanningen die inherent zijn aan een
democratische rechtsstaat zijn er ook factoren die de democratische rechtsorde
van buitenaf bedreigen. Een bijzonder voorbeeld hiervan zijn politieke partijen
die, door gebruik te maken van democratische principes, proberen de
democratische rechtsorde omver te werpen. De rechten en vrijheden die in een
democratie onontbeerlijk zijn,[15] zoals de vrijheid van
vereniging en van meningsuiting, en ook de mogelijkheid om deel te nemen aan
verkiezingen, gelden namelijk ook voor de vijanden van de democratie.[16]
De
voornaamste mogelijkheid is het verbieden van politieke partijen waarvan het
doel of het optreden in strijd is met de beginselen van de democratische
rechtsstaat. De mogelijkheid hiervoor wordt in Nederland gegeven door art. 2:20
BW, waarin staat dat een rechtspersoon “waarvan de werkzaamheid in strijd is
met de openbare orde” door de rechter verboden verklaard en ontbonden kan
worden. “Strijd met de openbare orde” betekent hier dat de activiteiten
“inbreuk maken op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel”.[17]
Aangezien
het verbieden van een rechtspersoon een zwaar middel is, dient de rechter zeer
terughoudend te zijn bij het gebruiken ervan.[18]
Het is daarom nog slechts één keer voorgekomen dat een Nederlandse politieke
partij werd verboden: de Nederlandse Volkspartij/CP’86,[19]
die in 1998 door de Rechtbank Amsterdam werd ontbonden en verboden. In deze
zaak bekeek de rechtbank de activiteiten van de partij en concludeerde dat “met
deze werkzaamheid … niet anders wordt beoogd dan het oproepen en aanzetten tot,
dan wel het bevorderen van discriminatie van allochtonen.”[20]
Hieruit volgde volgens de rechtbank dat de activiteiten van de partij in strijd
waren met de openbare orde en dat de partij dus worden verboden diende te
worden verklaard.[21]
Een
voorbeeld van een partijverbod onder het EVRM is de zaak Refah Partisi/Turkije, waarin een snel groeiende partij die ernaar
streefde de sharia in te voeren door het Turkse Constitutioneel Hof was
verboden. Het EHRM gaf twee criteria waaraan een partij moet voldoen om
wetsvoorstellen te mogen doen: de middelen moeten legitiem en democratisch
zijn, en de wijzigingen in kwestie moeten verenigbaar zijn met de fundamentele
beginselen van democratie.[22] Refah voldeed aan geen van
deze twee vereisten: de partij weigerde afstand te nemen van geweld[23] en de wens om de sharia in
te voeren is onverenigbaar met de fundamentele beginselen van democratie.[24] Het hof overwoog ook dat
het onverantwoord zou zijn om te wachten met ingrijpen tot een partij
daadwerkelijk is begonnen met het invoeren van haar plannen:[25] de staat mag ingrijpen als
er sprake is van een “clear and present danger”,[26]
en daar was bij Refah zeker sprake van.[27]
Het EHRM hanteert dus een dubbel criterium voor het verbieden van een partij:
enerzijds moeten een partij en haar ideeën bepaalde inhoudelijke voorwaarden
schenden, anderzijds moet van de partij een reële dreiging voor de
democratische rechtsorde uitgaan.[28]
Conclusie
In dit artikel is onderzocht wat de
voornaamste bedreigingen zijn voor de democratische rechtsstaat en hoe deze kunnen
worden ondervangen. Allereerst werd gekeken naar de spanningen die inherent
zijn aan een democratische rechtsstaat in het licht van de verschillende
opvattingen over democratie: formeel, materieel en als zelfcorrectie. Er werd
ook gekeken naar de verhouding tussen enerzijds de democratische wetgever en
anderzijds zekere aspecten van de rechtsstaat, in het bijzonder de
constitutionele toetsing, waarbij werd geconcludeerd dat het feit dat het
laatstgenoemde proces democratische beslissingen kan blokkeren spanningen
binnen de democratische rechtsstaat veroorzaakt. Als oplossing werd gewezen op
terughoudendheid van de rechter bij het toetsen van wetgeving aan de
constitutie.
De tweede
bedreiging die werd geïdentificeerd bestond uit partijen die beogen de democratische
rechtsstaat omver te werpen. Na een korte beschouwing over de mogelijkheden die
het Nederlandse recht hiervoor biedt in de vorm van art. 2:20 BW werd gekeken
naar twee praktijkvoorbeelden: de zaken NVP/CP’86
en Refah. In de laatste zaak droeg
het EHRM enkele belangrijke criteria aan voor het verbieden van een politieke
partij: het doel en functioneren van een partij moet in strijd zijn met de
beginselen van de democratische rechtsstaat, en er moet een reële dreiging van
de partij uitgaan. Met deze “tweetrapsraket” kan de democratische rechtsstaat
zich verdedigen tegen hen die haar omver willen werpen, zonder haar eigen
beginselen te schenden.
[1] Zie
bijvoorbeeld ‘Chancellor Palpatine Galactic Empire Speech (Star Wars Episode 3 Revenge of the Sith)’, Yulín YouTube 7 december 2015.
[2] A.
Romano, ‘Star Wars has always been political. Here’s why the alt-right is claiming otherwise’, Vox
31 december 2016, vox.com.
[3] B.R. Rijpkema,
Weerbare democratie. De grenzen van
democratische tolerantie, Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers 2015, p. 10.
[4] D.G. Van
Reybrouck, Tegen verkiezingen,
Amsterdam: De Bezige Bij 2016, p. 10-29; G. Molier, ‘Het verbod van een
politieke partij. Een anomalie in de democratie?’, NJB 2016/1754, afl. 34, p. 2438-2447, hier p. 2438-2439; A. Huq
& T. Ginsburg, ‘How to lose a constitutional democracy’, Vox 23 februari 2017, vox.com.; T.
Barkhuysen, ‘Is onze rechtsstaat Trump-proof?’, NJB 2017/471, afl. 9, p. 473.
[5] R.A. Dahl,
On Democracy, New Haven, Connecticut:
Yale University Press 1998, p. 119-129.
[6] Dahl
1998, p. 36.
[7] Rijpkema
2015, p. 18.
[8] Rijpkema
2015, p. 19; Molier, NJB 2016/1754,
p. 2439-2440.
[9] Molier, NJB 2016/1754, p. 2439.
[10] T.H. Bingham,
The Rule of Law, Londen: Penguin
2011, p. 7-8; vgl. E.M.H. Hirsch Ballin, ‘De rechtsstaat: wachten op een nieuwe
dageraad?’, NJB 2011/29, afl. 2, p.
71-73, hier p. 71.
[11] P.B.
Cliteur & A. Ellian, Legaliteit en
Legitimiteit. De grondslagen van het recht, Leiden: Leiden University Press
2016, p. 60. Andere criteria zijn mogelijk: zie bijvoorbeeld A.F.M.
Brenninkmeijer, ‘Stresstest rechtsstaat Nederland’, NJB 2015/740, afl. 16, p.
1046-1055, p. 1046 en A.D. Belinfante & J.L. de Reede/L. Dragstra e.a., Beginselen van het Nederlandse staatsrecht,
Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 18.
[12] Hirsch
Ballin, NJB 2011/29, p. 73; vgl.
House of Lords (Verenigd Koninkrijk) 9 mei 2001, R (Alconbury Developments Ltd. and Others) v Secretary of State for the
Environment, Transport and the Regions, [2001] UKHL 23, r.o. 73.
[13] Cliteur
& Ellian 2016, p. 94; zie ook Bingham 2011, p. 168.
[14] Cliteur
& Ellian 2016, p. 94-95; vgl. Barkhuysen, NJB 2017/471, p. 473.
[15] Dahl
1998, p. 85-86.
[16] Rijpkema
2015, p. 12-13.
[17] Kamerstukken II 1984/85, 17476, 5, p. 3.
[18] J. Roest
& M.L. Lennarts, in: J.H. Nieuwenhuis, C.J.J.M Stolker & W.L. Valk
(red.), Tekst & Commentaar Burgerlijk
Wetboek, Deventer: Wolters Kluwer 2015, art. 2:20 BW, aant. 3 (boek en online,
bijgewerkt 15 februari 2015); M.J. Kroeze, H. Beckman & M.A. Verbrugh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening
van het Nederlands Burgerlijk Recht. 2. Rechtspersonenrecht. Deel I. De
rechtspersoon, Deventer: Kluwer 2015/391; HR 18 april 2014,
ECLI:NL:HR:2014:948, r.o. 3.11.3, NJ
2014/507, m.nt. E.A. Alkema (Vereniging
Martijn).
[19] Molier, NJB 2016/1754, p. 2444.
[20] Rb.
Amsterdam 18 november 1998, ECLI:NL:RBAMS:1998:AD2961, r.o. 4.3.3, NJ 1999/377 (OM/Nationale Volkspartij/CP’86).
[21] Rb.
Amsterdam 18 november 1998, r.o. 5, NJ
1999/377.
[22] EHRM 13
februari 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0213JUD004134098, r.o. 98, NJ 2005/73, m.nt. E.A. Alkema (Refah Partisi/Turkije).
[23] EHRM 13
februari 2003, r.o. 129-131, NJ
2005/73.
[24] EHRM 13
februari 2003, r.o. 123-125, NJ
2005/73.
[25] EHRM 13
februari 2003, r.o. 102, NJ 2005/73.
[26] U.S.
Supreme Court 3 maart 1919, Schenk v.
United States, 249 U.S. 47, 52.
[27] EHRM 13
februari 2003, r.o. 108-110, NJ
2005/73.
[28] Molier, NJB 2016/1754, p. 2443-2444.