In gesprek met Frank Elderson

Geschreven door Fatima Jarmohamed & Ademir Sehomerovic op 18-03-2015

NOVUM gaat in gesprek met Frank Elderson, directielid van De Nederlandsche Bank. Tijdens zijn rechtenstudie aan de Universiteit van Amsterdam is hij actief in een pleitgenootschap en de Nederlandse koepelorganisatie van jongerenverenigingen (waaronder die van de politieke partijen), maar heeft hij ook een bijbaantje bij de opera. Na zijn afstuderen besluit hij de advocatuur in te gaan, maar na vier jaar stapt hij over naar De Nederlandsche Bank, alwaar hij sinds 2011 directielid is. NOVUM spreekt hem over gezonde ambitie, de voordelen van een multidisciplinaire omgeving en het nut der nutteloosheid.

U bent na uw afstuderen gaan werken bij Houthoff. Wat heeft u doen bewegen om te kiezen voor de commerciële advocatuur?

Dat is gekomen door een samenstel van omstandigheden en overwegingen. Ik kreeg een Houthoff-beurs en kreeg aldus de mogelijkheid om een LL.M. te behalen aan een Amerikaanse topuniversiteit, mits ik daarna advocaat-stagiair zou worden bij Houthoff. Ik had een jaar high school afgerond in de Verenigde  Staten en de mogelijkheid om voor een jaar weer terug te keren heb ik dan ook meteen aangegrepen. Dus dat was een makkelijke beslissing. Uiteindelijk heb ik vier jaar met veel plezier in de advocatuur gewerkt. De wens om meer in de publieke sector te werken zat er al in sinds mijn Ivy League-periode, dus na verloop van tijd heb ik toen besloten om me daadwerkelijk in de publieke sector te begeven. Bij de Columbia University werd daar veel aandacht aan besteed. Als je het voorrecht had om te studeren aan Columbia Law School, schiep dat verplichtingen in de richting van de maatschappij. Met die gedachte nog in mijn achterhoofd heb ik toen besloten de advocatuur achter me te laten. Ik vond het zeker uitdagend en heb er ook enorm veel geleerd, maar aan het einde van de dag word je toch gekozen door jouw cliënten en treed je voor hen op. Ik merkte dat ik toch echt wilde staan voor een zaak die je, door onderdeel daarvan te zijn, ook daadwerkelijk belichaamt. Ik ben toen heel ouderwets in de krant gaan spitten naar vacatures en bij De Nederlandsche Bank kon ik toen terecht op de afdeling Juridische Zaken. De euro bestond toen net een halfjaar; niet chartaal maar wel giraal. Je kon het nog niet pinnen, maar juridisch gezien bestond de nieuwe eenheidsmunt al wel. Voor mij was dat een fantastisch project en daarmee kwam ik terecht in een omgeving die me ongelooflijk aansprak. Het was internationaal, Europees, juridisch en in de publieke sector en dus precies waar ik naar op zoek was.

Hoe heeft u de overstap van de advocatuur naar De Nederlandsche Bank ervaren?

Op een gegeven moment ben je heel erg geneigd om de wereld te zien vanuit het perspectief zoals jouw studierichting of discipline je dat leert. Economen en juristen kijken op een heel andere manier naar hetzelfde vraagstuk. Indien je jouw professionele leven spendeert onder gelijkgestemden in dat opzicht, zoals bij een advocatenkantoor, kun je termen als ‘onrechtmatige daad’ en ‘ongerechtvaardigde verrijking’ zomaar laten vallen en iedereen weet waar je het over hebt. Bij DNB, en de meeste andere organisaties, is dat niet het geval. Er wordt een extra beroep op je gedaan om de relevantie van jouw kennis voor de vraagstukken waarvoor jouw organisatie zich geschikt ziet, aan te tonen. Het gaat er dan om hoe je jouw kennis zo effectief mogelijk in kan zetten. Een goede advocaat verdiept zich dan uiteraard ook in meer gebieden dan slechts het recht, maar in een multidisciplinaire omgeving spreekt dat misschien net iets meer voor zich.

Wat je heel vaak ziet is dat als mensen hogerop willen komen, ze het advies krijgen om eerst een groep mensen te managen met andere professionele achtergronden dan zijzelf. Bij DNB ben ik, nadat ik enkele jaren deel had uitgemaakt van het managementteam van juridische zaken, op gegeven moment afdelingshoofd geworden van de afdeling die toezicht hield op de ABN AMRO, in het jaar voor en van de overname door het consortium onder leiding van Royal Bank of Scotland. Ik heb toen leren functioneren in een snelkookpan. Als leidinggevende is het dan belangrijk om mensen te inspireren, grote lijnen in de gaten houden en de vertaalslag te kunnen maken tussen het strategische en het tactische niveau. Dat was enorm uitdagend en daar heb ik toen heel veel van geleerd. Een dergelijke switch had ik tien jaar eerder niet voor ogen gehad.

Heeft u bepaalde stappen in uw loopbaan wel gepland?

Nee, eigenlijk niet. Je carrière vooruitplannen heeft – zeker in hiërarchische zin – eigenlijk helemaal geen zin, het gaat zoals het gaat. Je moet vooral proberen om open te blijven staan en nieuwe dingen te proberen in plaats van behoudend te blijven. Toen ik op de afdeling Toezicht zat, kwam er helaas een directielid van DNB te overlijden. Hij werd opgevolgd door de toenmalige general counsel, op wier plek ik toen werd benoemd. Ook mijn functie als directielid heb ik niet gepland. Maar je werk moet ook los staan van de hoogte van de functie die je bekleedt. Het is altijd mijn streven geweest om op volle kracht goed werk af te leveren. In die zin ben ik zeker ambitieus te noemen. Het moet echter niet gaan om hoe hoog je in de boom kan eindigen. Wat mij betreft is het doorslaggevende criterium of je het gevoel hebt dat je je talenten op een zinnige manier kunt benutten, ongeacht het werk dat je doet. Zodra je het idee hebt dat dit niet het geval is, moet je daar verandering in proberen te brengen. Maar ik heb wat de werkethos betreft een redelijk stoïcijnse gedachtegang. Zo heb ik met grote aandacht en veel plezier het manifest van Nuccio Ordine gelezen, getiteld ‘Het nut der nutteloosheid’. Hij beschrijft hoe belangrijk het is om niet alleen dingen te leren waar je vervolgens geld mee kunt verdienen. Jezelf breed ontwikkelen is van veel groter belang; juristen moeten bijvoorbeeld verder kunnen kijken dan hun wettenbundel en zich ook verdiepen in de geschiedenis, economie, kunst en literatuur. Ik raad het manifest ten zeerste aan. Dingen die op het eerste gezicht voor jou nutteloos lijken, kunnen soms enorm nuttig blijken. Jezelf blijven ontwikkelen zonder dat je daar direct iets voor terug krijgt, kan los van het onmiddellijke genoegen dat je hieraan beleeft, op onverwachte momenten zeer van pas komen. Hoe breder je interesses en je vaardigheden, hoe effectiever en gemakkelijker je kunt functioneren in de al maar diverser, multidisciplinairder en internationaler wordende werkomgevingen waarin je terecht zult komen.




Er wordt veel waarde gehecht aan het multidisciplinaire karakter bij De Nederlandsche Bank. In hoeverre merken de juristen bij De Nederlandsche Bank dit?

Het hardcore juridische werk wordt voor een groot deel logischerwijs verricht bij de divisie ‘juridische zaken’, maar ook buiten die afdeling zijn er veel juristen te vinden. Het juridische werk hier is behoorlijk divers, wat voortvloeit uit ons brede palet aan taken. Zo zijn we een Europese instelling, maar ook een zelfstandig bestuursorgaan en een naamloze vennootschap bovendien. Het gros van de juristen is gespecialiseerd in een bepaald rechtsgebied en het aantal ‘algemene’ bedrijfsjuristen is relatief laag. Bij DNB geldt wel sterk het parool dat het gezond is om geregeld te rouleren van afdeling. Het is gebruikelijk om van tijd tot tijd te switchen naar een andere sector en internationaal detacheren gebeurt ook. Zo kunnen werknemers ook naar het IMF of de ECB. Als je het wilt, zijn er echt tal van mogelijkheden. Medewerkers kunnen een interne DNB-opleiding volgen met een interdisciplinair karakter, maar ook de beginners komen intensief in aanraking met onze verschillende taken wanneer zij deelnemen aan ons traineeship. Zo worden de trainees geacht om gedurendetwee jaar op drie verschillende plekken te werken. 
Ook ik zie enorm veel variatie in mijn werk. Een gemiddelde werkdag zou ik het makkelijkst omschrijven als ‘divers’. Ik heb vergaderingen, een-op-een-gesprekken, of ik ben in Frankfurt bij de ECB of in Londen bij de European Banking Association te vinden. Het is nooit hetzelfde. Ook inhoudelijk is er veel variatie, ik heb veel externe maar ook interne besprekingen. Mijn leeswerk doe ik in de avond of het weekend, daar ik gedurende de dag vrijwel nooit achter mijn bureau kan zitten.

U bent directielid in een periode waarin er relatief veel kritiek op het bankwezen en het toezicht op het bankwezen bestaat. Is er volgens u een specifiek toezichtmodel of dient elk toezichtmodel afgestemd te worden op de tijdsgeest en vergt dit aldus een continue aanpassing?

De afgelopen jaren is er veel veranderd. Na een dergelijke kredietcrisis is het logisch dat nog eens wordt gekeken naar de institutionele vormgeving van het toezichtmodel. De zoektocht blijft echter hoe je het toezicht en de centrale bankenfunctie met elkaar kunt verenigen terwijl je wel voldoende afstand tussen die twee bewaart. Het is een kwestie van kruisbestuiving, waarbij de onafhankelijkheid van de centrale bank gewaarborgd dient te worden. Het mooie is dat de ECB tot op zekere hoogte oplossingen die houvast binnen de governance van DNB zijn gevonden ook begint te hanteren. Het onderstreept ook dat DNB een Europese instelling is. We bepalen, als Nederlandse centrale bank, mede over het monetair beleid in de gehele eurozone. Hetzelfde geldt sinds 1 november vorig jaar voor het bankentoezicht. De samenwerking die hiervoor nodig is tussen de ECB en DNB verloopt momenteel vrij soepel. De teams die bij de ECB toezicht houden op de systeembanken zijn behalve multidisciplinair ook multinationaal. De afgelopen jaren is op dat vlak een enorme vooruitgang geboekt. Je ziet dat er een gemeenschappelijke manier van werken ontstaat doordat de best practices worden gecombineerd. Dus ook hier zie je het belang van diversiteit en een open mindset terug.

De kredietcrisis heeft dus erg veel invloed gehad op het toezicht, maar ook de wetgeving is in de nasleep hiervan enorm aangepast. Denkt u dat de huidige wetgeving opgewassen is tegen crisissituaties in de toekomst?

Bij de functie van wetgeving denk ik vaak aan het Corpus Iuris Civilis, dat in de 6e eeuw na Christus is opgesteld in opdracht van de Romeinse keizer Justitianus. Ondanks het monumentale en nog uiterst lezenswaardige karakter van deze beroemde compilatie, bleken ook toen al de beperkingen die kleven aan wetgeving, die immers slechts maar tot op zekere hoogte vat heeft op een onzekere toekomst. Justitianus beval op gegeven moment dat de wetgeving ‘af ’ was en dat er geen verdere regels bij mochten komen, maar uiteraard werkte dat niet. Juristen krijgen dat bewustzijn van de onvolmaaktheid van de wetgeving nu met de paplepel ingegoten. Aan de ene kant is het dus pure noodzaak dat er wet- en regelgeving bij komt. Aan de andere kant is het van belang onszelf te hoeden voor een teveel aan regels. Wat we hebben geleerd van de crisis is dat de buffers in het bankwezen te laag en waren en de leverage te hoog. Om dit in de toekomst zo goed mogelijk te kunnen vermijden is vrij technische wetgeving dan ook noodzakelijk. Een andere les die we hebben geleerd is dat we de cultuur en het gedrag binnen de financiële markt moeten aanpassen. Wet- en regelgeving is wat dit aspect betreft juist niet toereikend, een goede balans vinden blijft lastig. 
Ik heb wel altijd al een interesse gehad in de wisselwerking tussen het recht en de maatschappij. Dat is overigens ook de reden dat ik rechten ben gaan studeren. Met het recht kun je elke kant op en dat blijf ik belangrijk vinden.

Een laatste woord van wijsheid. Wat zou u de Leidse rechtenstudent willen meegeven?

Het belang van een brede belangstelling moet niet worden onderschat. Je kunt als tienkamper ook een Olympische medaille winnen zonder dat je de beste kogelstoter of hoogspringer bent; je hebt die medaille op zak omdat je je hebt weten te bekwamen in een veelheid van atletieknummers. Zo kun je ook naar het leven kijken. Ik denk ook aan het Peter Principle, dat stelt dat je je ervoor moet hoeden in hiërarchie te hoog te stijgen. Kijk uit voor blinde ambitie. Zeker in hiërarchische zin. De mens is een tienkamper.

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit In gesprek met