Wat de heren wijzen...

Geschreven door Andreas Kinneging op 08-03-2018

De kunst van het samenleven ligt voor een groot deel in de bereidheid ‘te leven en te laten leven’, dat wil zeggen elkaar met rust te laten en de andere kant op te kijken. ‘Een ieder moet maar op zijn eigen manier zalig worden’, zo drukte Frederik de Grote het uit en daarin had hij volkomen gelijk. Maar soms is het, om de samenleving in stand te houden, noodzakelijk samen iets te beslissen en te ondernemen. In dergelijke gevallen kan niet iedereen doen wat hij wil, maar moet iedereen samen één lijn trekken. En dat gaat niet vanzelf. Er zijn tot op heden maar drie methoden ontdekt om iedereen op één lijn te krijgen. Ten eerste overtuigingskracht, ten tweede macht, en ten derde gezag.

De eerste methode wordt in onze tijd als de preferente beschouwd. Die lijkt dan ook van de drie het beste bij de democratie te passen. Wat is er nou mooier dan dat iedereen het eens is, omdat men elkaar heeft weten te overtuigen? De cursussen retoriek doen het dan ook buitengewoon goed.

In de praktijk lukt het echter nooit om het allemaal eens te worden. Er zijn altijd een paar mensen en dikwijls een heleboel die je niet kunt overtuigen. Omdat ze niet luisteren. Of omdat ze het niet begrijpen. Of omdat ze menen al precies te weten wat moet gebeuren. Vooral dat laatste komt veel voor. Het heet eigenwijsheid. En daarvan bestaat nu meer dan ooit in het verleden. Hoe dat komt? Door de democratie natuurlijk. Iedereen is gelijk, ieders mening dus ook. Waarom zou iemand dan naar een ander luisteren?

De dagelijkse gang van zaken in ons parlement is het beste bewijs hiervan. Ooit opgezet als een gremium voor debat, waarin men elkaar met kracht van argumenten moest zien te overtuigen, is het inmiddels verworden tot een bühne waarop elke partij haar standpunten publiekelijk naast en tegenover dat van andere partijen zet, zonder dat het ooit tot een werkelijk debat komt, waarin iemand door een ander wordt overtuigd.

Toch moeten er beslissingen genomen worden, in het parlement en elders. Hoe gebeurt dat dan, bij gebrek aan overeenstemming? Met behulp van de tweede methode: macht. In het parlement en op vele andere plekken betekent dat: de meerderheid bepaalt. Want de meerderheid heeft de macht, althans waar de meerderheidsregel de geldende beslisregel is, zoals in het parlement. Dat laatste is lang niet overal het geval in de samenleving. Veelal beslist niet de meerderheid, maar een kleine minderheid of zelfs een eenling. De meerderheid gehoorzaamt en volgt. Welbeschouwd is niet overtuigingskracht, maar macht feitelijk het meest gebruikte overtuigingsmiddel in de samenleving.

Dat is verre van ideaal en wel omdat macht een inherente zwakte heeft. Ze is namelijk, althans in de gewone zin van het woord, beperkt tot de buitenkant. (Natuurlijk niet als we spreken over ‘macht over de geest’, maar dan is sprake van metaforische uitbreiding. Macht wordt dan gezag. Waarover later.) Macht in gewone zin —de Romeinen spaken van potestas— is andere mensen bewegen tot een ander handelen/gedrag dan ze uit zichzelf zouden vertonen. Het blijft aan de buitenkant. De binnenwereld van genoemde mensen blijft ongewijzigd. Ergo: macht roept een conflict op tussen buitenwereld en binnenwereld, tussen handelen en denken, gedrag en innerlijke overtuiging. Het handelen/gedrag is niet meer vrijwillig en gebaseerd op innerlijke overtuiging, maar afgedwongen en gebaseerd op de angst voor straf. Macht bestaat dan ook bij de gratie van de bevoegdheid of mogelijkheid om te straffen. Dat schept angst. Daardoor worden mensen bewogen tot ander handelen dan ze uit zichzelf zouden vertonen. Niet voor niets waren de fasces bij de Romeinen het symbool van de potestas: een roedenbundel met bijl.

Maar omdat ze slechts het handelen beïnvloedt en niet het hart is macht in wezen zwak en onstabiel. Immers, als de angst wegvalt of onvoldoende is, doen mensen toch wat ze eigenlijk willen. En bovendien creëert angst gevoelens van antipathie, vijandigheid, wrok en zelfs haat. Het is nooit erg verstandig om dat soort gevoelens op te roepen. Want wie men haat, wil men kwijt. Aldus Machiavelli. En gelijk had hij. Daarom had men al in de Oudheid een voorkeur voor iets anders, voor de derde methode om iedereen op één lijn te krijgen: gezag. Latijn: auctoritas.

Het gezag neemt wel de innerlijke mens mee. Het handelen verandert ook als er gezag is, maar ditmaal niet uit angst, zoals bij macht het geval is. In casu gezag past men zijn handelen aan, omdat men het oordeel van een ander —de gezagsdrager— meer vertrouwt dan het eigen oordeel. Ipse dixit: hij heeft het zelf gezegd, en dus is het goed. Niet voor niets heet dit het autoriteitsargument!

Een voorbeeld. Iemand denkt: de wereld is plat. Hij komt bij jou. Jij zegt hem: ‘Dat is niet waar: de wereld is rond.’ Hij gelooft jou. Niet omdat hij het kan beoordelen en evenmin omdat je hem hebt overtuigd, maar omdat hij op jouw oordeel vertrouwt, meer dan op zijn eigen. Dat is gezag. Dat is autoriteit.

De gehele pre-moderne of traditionele samenleving was hierop gebouwd. Het gezag van de kerk, paus, pastoor, dominee. Het gezag van de politicus, bestuurder, burgemeester, politieman, notaris, dokter, onderwijzer. Het gezag van de baas. Et cetera. Je haalde het als gewone man niet in je hoofd om oordeel van deze gezagsdragers te betwijfelen, laat staan tegen te spreken. Niet uit angst, maar omdat men echt geloofde dat hun mening beter was dan de eigen opvatting. Niet altijd terecht natuurlijk, maar vaak ook wel.

Men kan hier van alles over zeggen in kritische zin, maar ook veel positiefs. Het probleem hoe iedereen op één lijn te krijgen, dat in feite het probleem van de maatschappelijke orde is, wordt er door opgelost, zonder veel machtsvertoon: een kleine overheid volstaat en heel weinig politie, die bovendien doorgaans onbewapend was. Macht was grotendeels overbodig, want er was gezag. Men gehoorzaamde dus. Niet nolens volens, maar uit overtuiging dat de gezagsdragers het beter wisten. Van dat gezag, van die autoriteit is anno nu vrijwel niets meer over. Hoe komt dat? Wat is daarvan de oorzaak? En wat zijn de gevolgen?

Wat de oorzaak betreft zijn we snel klaar. Dat is natuurlijk de democratische gelijkheidsgedachte. Gelijkheid is de bril waardoor democratische mens de wereld beziet. De democratische mens denkt: iedereen is gelijk(waardig). Ik ben dus gelijk aan alle anderen. Niemand staat onder, en niemand staat boven mij. Alle mensen zijn gelijk. Er is geen hiërarchie. Dat is niet eens zozeer een bewuste gedachte, als wel een diepe overtuiging, een apriori levensgevoel. Dus niet iets waaraan je zou kunnen twijfelen. Het is een zekerheid. Maar als er geen hiërarchie bestaat, is ook gezag onmogelijk. Evenals trouwens het bijbehorende, complementerende gevoel van ontzag. Tocqueville schrijft ergens dat de democratische mens een Cartesiaan is. Hij betwijfelt alles wat anderen zeggen en gelooft het pas als hij zelf inziet dat het waar is.

We zien dan ook dat de verhouding tussen bijvoorbeeld arts en patiënt, advocaat en cliënt, politicus en burger, leraar en leerling, ouder en kind fundamenteel zijn veranderd sinds de democratie het evangelie is geworden. Niet meteen natuurlijk. Omdat er nog lange tijd een rudimentair gezag en ontzag is blijven bestaan. Maar naarmate die oude gevoelens verder zijn afgesleten, zijn al deze verhoudingen steeds meer die tussen gelijken geworden.

Is er in een volgroeide democratie überhaupt nog iets of iemand die gezag heeft? Tocqueville stelt dat een individu onmogelijk zelf alles kan onderzoeken, alvorens het als waar aan te nemen. Daar ontbreekt hem alleen al de tijd voor. Veel dingen moet hij eenvoudig voor waar aannemen, zonder ze zelf onderzocht te hebben. Maar hij heeft ontzag voor niemand. Wat geeft hem dan dat vertrouwen? Wat heeft gezag in zijn ogen? Het antwoord is volgens Tocqueville de publieke opinie, de mening van het grote aantal. Alles wat veel mensen zeggen is in zijn ogen waar, alles wat veel mensen kiezen is in zijn ogen goed. In de plaats van een kwalitatieve wordt dus een kwantitatieve maatstaf gesteld. Het grote getal is de autoriteit in de democratie. Daar gaat enorm gezag van uit, waaraan de democratische mens zich niet of nauwelijks kan onttrekken.

Is dat een goede ontwikkeling? Ik denk het niet. De meerderheid, het grote getal is, zoals Plato het uitdrukt, een bijzonder bijziende en niet erg vakkundige scheepskapitein. De bijstand van werkelijk deskundige mensen is voor hem onmisbaar, anders loopt het schip op de klippen. En als die deskundigen geen gezag meer hebben, wordt een schipbreuk onvermijdelijk.


Verschenen in de NOVUM van maart 2018

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit Column prof. Kinneging

Over het modewoord 'diversiteit'

Column prof. Kinneging

Over Weinstein en de weloverwogen wil

Column prof. Kinneging

Grotius en God

Column prof. Kinneging