Grotius en God

Geschreven door Andreas Kinneging op 30-11-2017

Als men het aantal grote filosofen dat Nederland heeft voortgebracht vergelijkt met bijvoorbeeld Duitsland, dan wellen er geen gevoelens van patriottische trots op in de borstkas. Wij zijn naar verhouding wel erg mager bedeeld. Dat zal zeker te maken hebben met de Nederlandse cultuur, die eeuwenlang vooral is gestempeld geweest door een sterke handelszin en een orthodox calvinisme. Dat laatste bracht een diepe argwaan tegen de filosofie met zich. Beter dan te filosofen was het om te theologiseren, en beter dan te theologiseren, was het om de Bijbel te bestuderen. Van voor naar achter, steeds maar weer, zijn hele leven lang. Het eerste, de sterke handelszin, liet weinig tijd over om te filosofen en maakte ook dat er weinig belangstelling voor was. Filosofie? Dat levert toch niks op?

Descartes, één van de vaders van de Verlichting, die meer dan twintig jaar in Nederland heeft gewoond, schrijft in zijn Discours de la Methode (1637), aan het einde van hoofdstuk drie, dat hij hier ‘te midden van de menigte van een groot volk, dat erg actief is en zich meer zorgen maakt om zijn eigen zaken dan dat het nieuwsgierig is naar die van een ander…net zo eenzaam en teruggetrokken kan leven als in de meest verlaten woestijn’ (cursief toegevoegd). Met andere woorden: het interesseerde niemand ene moer wat Descartes hier deed. De boeken die hij schreef waren misschien wel gevaarlijk, maar die waren voor de export naar Frankrijk, waar wij lekker aan verdienden.

Maar een paar grote denkers heeft Nederland toch wel voortgebracht? Zeker. In de eerste plaats natuurlijk Spinoza, die zonder enige twijfel de grootste filosoof is die ooit in Nederlandis geboren. In de tweede plaats Erasmus. Maar die is al van een veel geringer kaliber dan Spinoza. Erasmus was vooral iemand die oude wijn in nieuwe vaten goot. Zijn boeken zijn stichtelijk, maar blijven aan de oppervlakte. Hij was eerst en vooral een nette man die het uiteenvallen van de Universele Kerk in elkaar te vuur en te zwaar bestrijdende facties diep betreurde. En dan is er in de derde plaats Hugo de Groot, de auteur van De Iure Belli ac Pacis (1625), de Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheit (1631), De antiquitate reipublicae Batavicae (1610) en vele andere werken.

De man wordt alom vereerd in den lande. Vele straten zijn naar hem genoemd. Er zijn Grotius instituten en Grotius verenigingen. Er zijn maar liefst drie standbeelden van hem, in Den Haag, Delft en Rotterdam. Zijn vroegrijpheid en veelomvattend talent wordt door alle biografen uitgebreid verhaald. Als elfjarige ging hij in Leiden studeren, als zeventienjarige begon hij als advocaat. Samen met Van Oldenbarnevelt in 1618 gevangengenomen, vanwege zijn tolerante religieuze opvattingen, en tot levenslang veroordeeld, werd hij in een boekenkist uit zijn gevangenis op Slot Loevestein gesmokkeld en vertrok naar Parijs. Enzovoorts. Prachtige verhalen natuurlijk, die het altijd goed doen voor welk publiek dan ook. Maar was De Groot nu ook een groot filosoof? Of in ieder geval een groot rechtsfilosoof? Iemand die het verdiend opgenomen te worden in de handboeken en historische overzichtswerken?

Eerlijk gezegd: nee. Om Grotius en zijn werken goed te begrijpen en op hun waarde te kunnen schatten, moet  men eerst en vooral beseffen dat hij geen theoreticus was, zoals bijvoorbeeld Spinoza. De Groot was een praktisch mens, een homo politicus met een theoretische belangstelling. Ongeveer zoals Thorbecke in de negentiende eeuw en Bolkestein in de twintigste. Dat zie je aan zijn geschriften. Of ze nu gaan over de essentie van het Christendom, of over de ware aard van de Republiek, of over het ius ad bellum en ius in bello, steeds wil De Groot met zijn werken een bijdrage te leveren aan de oplossing van concrete politieke geschillen in zijn tijd. Het is goed dat dat soort mensen er is, ze vervullen een belangrijke rol in de politiek, maar ze schrijven geen traktaten die de tand des tijds doorstaan en, zoals Thucydides het lang geleden zo fraai uitdrukte, ‘een bezit voor altijd’ zijn. En dat is wat betreft het oeuvre van De Groot zeker ook het geval. Het wordt dan ook vrijwel niet meer gelezen. Ik kom althans vrijwel nooit iemand tegen die zijn hoofdwerk De Iure Belli ac Pacis helemaal gelezen heeft, laat staan een van zijn andere werken. Nou heb ik dat wel gedaan en daarom acht ik me vrij er een paar opmerkingen over te maken.

Van De Groots De Iure Belli ac Pacis is, evenals van Montesquieu’s De l’Esprit des Lois, dat al even weinig van kaft tot kaft wordt gelezen, één frase bovenal bekend. Van Montesquieu is dat bekentelijk de ‘bouche qui prononce les paroles de la loi’, uit hoofdstuk 6 van boek 11, getiteld ‘De la constitution d’Angleterre’. Deze frase wordt sedert de negentiende eeuw eindeloos herhaald, in de veronderstelling dat Montesquieu daarmee het adagium propageert dat de rechter volstrekt terughoudend dient te zijn en slechts mechanisch de conclusie moet trekken uit de wet en de feiten. En zo verschijnt Montesquieu in menig boek als aartsvader van het legalisme, terwijl hij in werkelijkheid het tegenovergestelde was. (Wilt U hier het fijne van weten, lees dan mijn opstel ‘Montesquieu en de Verlichting: van tweeën één’, in: Andreas Kinneging, Paul de Hert en Maarten Colette (red.), Montesquieu, enigmatisch observateur, Antwerpen: Vrijdag 2016, pp.13-39.)

Zo’n beroemde zin heeft ook De Groot geproduceerd. Die vinden we helemaal in het begin van De Iure Belli ac Pacis, in de ‘prolegomena’, d.w.z. de inleiding. Hij luidt: Et haec quidem quae iam diximus, locum aliquem haberent etiamsi daremus, quod sine summo scelere dari nequit, non esse Deum, aut non curari ab eo negotia humana. Vertaald wordt dat: ‘En de dingen die we zojuist zeiden, zouden ook een zekere geldigheid hebben als we zouden toegeven wat niet kan worden toegegeven zonder de hoogste mate van misdadigheid, namelijk dat God niet bestaat of zich niet bekommert om menselijke aangelegenheden’.

Ook deze frase wordt eindeloos herhaald, in de veronderstelling dat het hier om een nieuwe en gedurfde uitspraak gaat, die het begin inluidt van het moderne, wil zeggen niet-Christelijke, wil zeggen rationalistische natuurrechtsdenken. Het natuurrechtsdenken dus dat louter en alleen gebaseerd is op de rede en niet langer op de openbaring. De tussenzin in de aanvoegende wijs—als we zouden toegeven wat niet kan worden toegegeven zonder de hoogste mate van misdadigheid—wordt daartoe uitgelegd als een uitdrukking van voorzichtigheid, iets wat ten behoeve van de Bühne is geschreven, om niet in de problemen te komen, maar slechts een camouflage van de werkelijke opvattingen van de auteur. En zo wordt De Groot opeens een voorloper van Hobbes, Locke en Rousseau, de bekendste rationalistische natuurrechtsdenkers.

In werkelijkheid staat De Groot mijlenver af van deze Verlichtingsdenkers. Zijn etiamsi daremus non esse Deum, aut non curari ab eo negotia humana is een heel traditionele gedachte, die teruggaat op Plato, in wiens hoofdwerk de Politeia (boek II, c.8) we de frase tegenkomen: ‘als de goden niet bestaan, of ze bekommeren zich niets om de menselijke aangelegenheden’. De Groot citeert hier dus de letterlijke woorden van Plato, die 2400 jaar geleden leefde en die er zeker niet van verdacht kan worden een voorloper te zijn van het rationalistische natuurrecht van de Verlichting. Integendeel, Plato is, samen met Aristoteles en Christus, dé kop van jut voor de Verlichting.

De gedachte staat ook niet in de aanvoegende wijs uit voorzichtigheid en prudentie, om de schijn te wekken dat men in God gelooft. Neen, de aanvoegende wijs staat er om aan te geven dat het natuurrecht geldt, niet omdat God dat wil, maar dat God het wil, omdat het natuurrecht is.

Even verderop in De Iure Belli ac Pacis, in I.i.x.5, staat het allemaal heel duidelijk uitgelegd: ‘Het natuurrecht is onveranderlijk, zodat het zelfs niet door God kan worden veranderd. Want ofschoon de macht van God immens is, toch kan worden gezegd dat er dingen zijn waarover die zich niet uitstrekt (…) Zoals door God niet kan worden bewerkstelligd dat twee en twee niet vier is, zo kan hij niet bewerkstelligen dat wat intrinsiek slecht is, niet slecht is.’ Als het natuurrecht niet door God kan worden veranderd, geldt het ook als Hij niet zo bestaan. Dat is een logische conclusie. Meer niet. Men kan er geenszins uit afleiden dat De Groot heimelijk een moderne atheïst was.

Dat blijkt ook zonneklaar uit de rest van de tekst van De Iure Belli ac Pacis, waarin men struikelt over de aanhalingen uit de Bijbel en de maatgevende Christelijke auteurs uit het verleden, zoals Augustinus. Het Christendom is voor De Groot het hoogste gezag. Zouden al die mensen die zeggen hem te bewonderen dat beseffen?


Verschenen in het NOVUM novembernummer 2017.

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit Column prof. Kinneging

Rechter en politiek

Column prof. Kinneging

Leve de democratie! Of toch niet?

Column prof. Kinneging

Wat is een universiteit eigenlijk?

Column prof. Kinneging