Het recht om vergeten te worden: De balans tussen het recht op privacy en het publieke belang

Geschreven door Christiaan Silven op 10-10-2017

In de moderne samenleving speelt het internet een zeer belangrijke rol. Nooit eerder in de wereldgeschiedenis was er zo veel informatie zo gemakkelijk beschikbaar. Zoekmachines als Google Search hebben dit mogelijk gemaakt. Met een paar drukken op de knop kun je alles te weten komen over een onderwerp waar je eerder geen kennis van had.   Het voordeel van zulke snelle en accurate informatieverschaffing is groot, maar er kleven ook nadelen aan. Het kan namelijk zo zijn dat er gevoelige informatie over jezelf op het internet circuleert. Denk hierbij aan een onwelgevallige foto, publicaties over het faillissement van jouw bedrijf, of zelfs een nieuwsbericht over een door jou gepleegd strafbaar feit. Die informatie kan namelijk óók door iedereen met een simpele zoekopdracht op het internet gevonden worden.[1] Het liefst zou je natuurlijk willen dat verwijzingen naar dergelijke informatie voorgoed van het internet verdwijnen, maar is dit wel mogelijk, en zo ja, hoe krijg je dat dan voor elkaar?

Wettelijk kader

Over deze problematiek werd bij de opkomst van het internet in de jaren negentig al nagedacht. Uit artikel 12 Privacyrichtlijn[2] uit 1995 blijkt dat degene op wie bepaalde gegevens betrekking hebben, kan verlangen dat die gegevens verwijderd als zij onjuist, onvolledig of anderszins niet in overeenstemming zijn met privacywetgeving.[3] Dit is een het zogenaamde verwijderrecht. Je kunt een zoekmachine op grond hiervan verzoeken om verwijzingen naar op jou betrekking hebbende gegevens te verwijderen.   Verder volgt uit artikel 14 Privacyrichtlijn dat een betrokkene in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden zich kan verzetten tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens.[4] Dit is een verzetsrecht. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft deze twee rechten in zijn jurisprudentie[5] als het ware samengevoegd[6] tot een meer algemeen verwijderrecht van zoekresultaten. Dit is het ‘recht om vergeten te worden’.   Inmiddels weten veel mensen[7] dat zij bij zoekmachines een verwijderverzoek kunnen indienen. Tot voor kort was er in Nederland echter weinig duidelijkheid over wat er dient te gebeuren als een zoekmachine weigert om aan een dergelijk verwijderverzoek gevolg te geven. Tot voor kort, want op 24 februari 2017 heeft de Hoge Raad zijn eerste arrest[8] over een verwijderverzoek gewezen. Dit arrest spreekt in het bijzonder tot de verbeelding, omdat bekende Nederlander en misdaadverslaggever Peter R. De Vries er een rol in speelt.

Ook voor criminelen? 

Op 27 mei 2012 heeft SBS6 een aflevering uitgezonden van het programma ‘Misdaadverslaggever’ van Peter R. de Vries. Hierin kwam door middel van camerabeelden aan het licht dat de betrokkene (Arthur van M.) zijn concurrent in de escortbranche wilde laten liquideren door het inschakelen van een huurmoordenaar. Deze vermeende huurmoordenaar was in werkelijkheid een acteur en die heeft, met een piepkleine camera in een balpen, video- en geluidsopnamen van hun afspraak weten te bemachtigen. Deze camerabeelden werden uitgezonden in het programma en hierin is Arthur van M. meermaals herkenbaar in beeld gebracht.   Diezelfde beelden werden vervolgens gebruikt als bewijs in een strafzaak tegen Arthur van M. Hij werd in 2012 veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens poging tot uitlokking van huurmoord.   De uitzending van ‘Misdaadverslaggever’ en de veroordeling van Arthur van M. waren hot topics in de media. Het AD publiceerde een bericht over de veroordeling. Door de gebeurtenissen raakte een auteur zelfs geïnspireerd om een boek te schrijven dat in 2013 verscheen. In het boek wordt er ook daadwerkelijk een moord gepleegd en het personage dat die moor laat plegen draagt zelfs de naam Arthur.[9]   Binnen de kortste keren werd Arthur van M. dus een publiek figuur. Hij verzocht Google daarom, op grond van zijn recht op privacy, om de hyperlinks (URL’s), die naar zijn veroordeling verwezen, uit de zoekresultatenlijst te verwijderen. Google weigerde dit te doen, betogend dat het publiek er belang bij heeft kennis te nemen van de misdaad van de betrokkene. Van M. liet het er niet bij zitten en kwam uiteindelijk bij de Hoge Raad terecht. Hij beriep zich met zijn vordering tot verwijdering van de zoekresultaten dus op het ‘recht om vergeten te worden’.

Wat prevaleert: recht op privacy of het publieke belang?

Het moge duidelijk zijn dat er bij de behandeling van een verwijderverzoek een zekere belangenafweging door de zoekmachine moet plaatsvinden. Met een verwijderverzoek komen er namelijk twee specifieke belangen op gespannen voet met elkaar te staan: het recht op privacy van de verzoeker en het publieke belang om van informatie voorzien te worden. Voor de vormgeving van die belangenafweging heeft de Hoge Raad verwezen naar de jurisprudentie van het Hof, in het bijzonder naar het Google/Costeja-arrest. Hierin formuleerde het Hof een aantal belangrijke gezichtspunten.   Ten eerste dat het recht op privacy ‘in beginsel’ voorrang heeft op de belangen van zoekmachinegebruikers.[10] Dit betekent dus dat verwijderverzoeken in principe gehonoreerd dienen te worden op grond van het recht op privacy. Volgens het Hof van Justitie kan dit slechts anders zijn als er sprake is van bijzondere omstandigheden.   Of er sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, moet volgens het Hof nader beoordeeld worden aan de hand van de rol die de betrokkene in het openbare leven speelt. Volgens het gerechtshof was het voor het publiek van belang om kennis te kunnen nemen van de misdaad van Arthur van M. De Hoge Raad stelde echter dat de veroordeling van Arthur en de publiciteit daarover onvoldoende waren om van een significante rol in het openbare leven te spreken en vernietigde de uitspraak van het gerechtshof.[11]

Stand van zaken

De zaak van Arthur van M. illustreert heel scherp de huidige stand van zaken omtrent ‘het recht om vergeten te worden.’ Je kunt dit recht dus effectueren door middel van het indienen van een verwijderverzoek. Bij de behandeling van zo’n verwijderverzoek moet echter steeds een belangenafweging gemaakt worden tussen het recht op privacy van de verzoeker en het belang van het publiek om geïnformeerd te worden. Tot op heden blijft het recht op privacy zwaarder wegen dan het publieke belang. Of het publieke belang van adequate informatievoorziening naar verloop van tijd meer gewicht in de schaal zal leggen zal de toekomst moeten uitwijzen.


Verschenen in het oktobernummer van de NOVUM in 2017.


[1] HvJEU 13 mei 2014, ECLI:EU:C:2014:317, C-131/12 (Google/Costeja), r.o. 36. [2] Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, (PbEG 1995, L 281, p.31 – 50). [3] De Nederlandse wetgever heeft dit artikel geïmplementeerd in art. 36 lid 1 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). [4] De Nederlandse wetgever heeft dit artikel geïmplementeerd in art. 40 lid 1 en 2 Wbp. [5] HvJEU 13 mei 2014, C-131/12 (Google/Costeja), r.o. 27-28, 35-36, 38-41, 63-64, 68, 69-99. [6] G.J. Zwenne, ‘Verdieping: Het internetvergeetrecht’, AA 2015/9, p.10. [7] Uit het Google Transparency Report, ‘European privacy requests for search removals’, blijkt dat Google in Nederland alleen al ruim 31.000 verwijderverzoeken heeft ontvangen. www.google.com/transparencyreport/removals/europe... [8] HR 24 februari 2017, ECLI:PHR:2016:116, m.nt. F.J. Zuiderveen Borgesius e.a., r.o. 3.1. [9] HR 24 februari 2017, ECLI:PHR:2016:116, m.nt. F.J. Zuiderveen Borgesius e.a., r.o. 3.1. [10] HvJEU 13 mei 2014, C-131/12 (Google/Costeja), r.o. 81. Zie ook: HR 24 februari 2017, ECLI:PHR:2016:116, m.nt. F.J. Zuiderveen Borgesius e.a. [11] HR 24 februari 2017, ECLI:PHR:2016:116, m.nt. F.J. Zuiderveen Borgesius e.a., r.o. 3.6.5.

Terug naar nieuwsoverzicht