Leve de democratie! Of toch niet?

Geschreven door Andreas Kinneging op 01-04-2016

We zijn als mensen geneigd de meeste dingen als vanzelfsprekend te zien en er verder niet over na te denken. Filosofie begint, zoals Aristoteles zegt, met verwondering en dus met het verdwijnen van die vanzelfsprekendheid. Zodra je je afvraagt: ‘Hé, waarom zit het eigenlijk zo in elkaar?’ of ‘Is het wel zo, als iedereen denkt?’ ben je tot filosoof geëvolueerd.

Een van de dingen die iedereen hier te lande en elders in het Westen als vanzelfsprekend aanneemt is de democratie. Als feit en als norm. Wij leven in een democratie (feit) en democratie is de beste van alle staatsvormen (norm). Denken we. Bij beide vanzelfsprekendheden zijn echter wel wat kanttekeningen te plaatsen.

Eerst democratie als feit. Als we een oude Griek uit het democratisch Athene met een tijdmachine naar het heden zouden kunnen flitsen, zou hij het Westers staatsbestel zeker niet inschatten als een democratie. Voor hem was democratie letterlijk de heerschappij van het volk, tot uiting komend in een soevereine volksvergadering, volksrechtbanken, rechtstreeks gekozen of door het lot aangewezen bestuurders, en zelfs gekozen generaals. Al die ontegenzeggelijk democratische instellingen en procedures ontbreken in hedendaagse, zich democratie noemde staten. Genoemde Griek zou ons dus zonder enige twijfel betichten van een rhetorische verdraaiing van de feiten.

Hoe moeten we de Westerse staatsbestellen dan wel noemen? ‘Meritocratisch’ zou een goede optie zijn. Laten we ons voor het gemak concentreren op Nederland. Wat zou onze Griek zien? De volksinvloed is minimaal. Af en toe mag het volk naar de stembus om zijn vertegenwoordigers te kiezen. De voornaamsten daaronder zijn de Tweede Kamerleden. Hun invloed is echter minimaal. In de praktijk heerst een klein groepje lieden, dat in de regeringspartijen de dienst uitmaakt, niet meer dan tien in het totaal, in samenwerking met een wat grotere groep van topambtenaren, een stuk of honderd. En de rechters? De benoeming daarvan ontbeert iedere democratische invloed. De rechterlijke macht benoemt in feite zijn eigen leden. Het is een coöptatiesysteem, zoals dat ook bestaat voor studentenhuizen. Je gaat ‘hospiteren’ en als je bevalt, word je toegelaten. Hoe zit het met het leger? Ook daar geldt in feite hetzelfde systeem. Wie onze generaals zijn, daarover hebben wij als volk geen zeggenschap. De grondslag van benoeming, macht en invloed is steeds de vermeende kwaliteiten van de betrokkene. Engels: merit. Vandaar meritocratie.

Maar we hebben toch ook referenda? Dat is in ieder geval een democratisch element in ons staatsbestel? Dat zal de oude Griek zeker beamen, tot hij hoort dat het gaat om ‘raadgevende’ referenda. Dat wil zeggen, referenda die slechts een adviesstatus hebben. Als we hem dan ook nog, bij wijze van voorbeeld, zouden vertellen dat in 2005 een voorgestelde Europese Grondwet in een referendum door een meerderheid van ruim zestig procent van de Nederlandse kiezers is afgewezen, maar diezelfde Grondwet, herdoopt tot Verdrag van Lissabon, in 2007 alsnog door de politiek werd ingevoerd, dan zou onze Griek waarschijnlijk in lachen uitbarsten over onze hypocrisie.

Als we onze hengel wat verder uitwerpen, voorbij het staatsbestel en we bezien de maatschappij als geheel dan zijn de feiten niet anders. Het bedrijfsleven is vrijwel over de gehele linie ondemocratisch. Het aantal bedrijven waarin iedereen mede-eigenaar en medebestuurder is, is op de vingers van één hand te tellen. Bijna alle bedrijven zijn strikt hiërarchisch georganiseerd, uitmondend in een top van één of enkele personen, die bepaalt wat er gebeurt. Voor scholen, universiteiten en alle andere organisaties in het middenveld geldt hetzelfde. Er is wel wat inspraak, maar veel om het lijf heeft dat niet. Overal is het een handjevol bestuurders dat aan de touwtjes trekt. Op grond waarvan? Op grond van hun vermeende kwaliteiten: merit. Kortom, ook de maatschappij in den brede is vooral meritocratisch georganiseerd, niet democratisch.

Wat voor consequentie heeft deze vaststelling? Als je waarlijk democraat bent, kan die niet anders zijn dan dat je de barricades op moet. De hele boel moet op de schop. Een democratische revolutie moet plaatsvinden, waarin het volk op alle fronten de macht grijpt en de meritocratische cliques aan de kant zet. Ik vermoed echter dat die revolutie er niet gaat komen. Nu niet en nooit niet. Maar dan rijst levensgroot de vraag: hoe democratisch zijn we eigenlijk? Willen we wel democratie?Is democratie wel de norm?

Het is om te beginnen goed je te realiseren dat gedurende het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis democratie niet alleen niet heeft bestaan, maar ook geen ideaal was. Ook in de Oudheid niet. De enige uitzondering zijn sommige Griekse stadsstaten tussen ongeveer 500 en 300 voor Christus, waarvan Athene de beroemdste is. De historisch meest voorkomende staatsvorm is ook het wijdst verbreide ideaal: de monarchie. En anders dan vele mensen tegenwoordig voetstoots aannemen, functioneerden de meeste monarchieën goed. Het idee dat de meeste mensen in de monarchieën uit het verleden onderdrukt en uitgebuit werden, is historische nonsens. Buiten het Westen wordt het democratisch ideaal trouwens ook in onze tijd nog allerminst alom beleden. Qatar bijvoorbeeld is een monarchie en de Qatari zijn daarmee over het algemeen erg tevreden. En zo zijn er nog veel meer staten te noemen.

Wat is precies een monarchie? Wij zijn geneigd haar af te doen als alleenheerschappij van één persoon en dus als een vorm van tirannie. Maar monarchie is altijd principieel onderscheiden van de tirannie. Montesquieu, de veel geprezen grondlegger van de trias politica –al gebruikte hij dat woord niet– was een monarchist. Maar zijn monarchie was geen alleenheerschappij. Die laatste noemde hij despotie –een synoniem van tirannie- en wees hij ten stelligste af. Wat Montesquieu’s monarchie dan wel was, kan men afleiden uit zijn trias-idee, dat niet meer is dan een variant van het aloude ideaal van het gemengde regime, dat teruggaat op Plato, Aristoteles en Polybius en een mengeling is van monarchie, meritocratie en democratie. Het is dit ideaal van het gemengde regime, tegenwoordig zo goed als vergeten, dat het Westerse staatkundige denken en de staatkundige praktijk meer dan tweeduizend jaar lang gedomineerd heeft. Het is ook Montesquieu’s ideaal. Zijn monarchie is een monarchie getemperd door meritocratische en democratische elementen.

Het monarchale element is noodzakelijk vanwege de daadkracht, zonder welke elk systeem te gronde gaat. In de trias komt dit tot uitdrukking in de executieve. Het democratische element is noodzakelijk vanwege het draagvlak, zonder welke niets mogelijk is. In de trias vertegenwoordigt de wetgevende macht dit element. Daadkracht en draagvlak zijn, ook tezamen, echter niet voldoende om een systeem te behouden en te laten bloeien. Daarvoor is ook verstandigheid en inzicht nodig. En daarvoor is het meritocratisch element noodzakelijk.

Volgens mij is daarmee iets van groot belang uitgedrukt. Gaat het immers niet steeds om de combinatie van daadkracht, draagvlak en verstandig inzicht? Als één daarvan ontbreekt gaat het mis. In de staat, maar ook overal elders. Zo beschouwd is het ideaal van het gemengd regime dus nog even actueel en relevant als het altijd is geweest en zou dàt onze leidraad en norm moeten zijn, in plaats van de democratie. Iets om eens goed over na te denken.

Daarbij zijn ten slotte wel een paar kanttekeningen wat betreft de meritocratie op hun plaats. Het traditionele woord voor meritocratie is aristocratie, wat betekent: heerschappij van de besten, van de voor de job meest gekwalificeerden. Het is zaak dat de voor welke job dan ook best gekwalificeerden komen bovendrijven. Alleen dan is er werkelijk sprake van meritocratie. Maar is dat in de praktijk ook altijd zo? De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat dat lang niet altijd het geval is. Dikwijls zijn het niet de besten die boven komen drijven, maar middelmatige figuren, of nog erger. In dat geval sprak men traditioneel niet van aristocratie, maar van oligarchie: heerschappij van een ongekwalificeerde clique.

Als het gemengd regime inderdaad ons ideaal moet zijn in plaats van de democratie, is het niet onze kopzorg hoe we staat en maatschappij zoveel mogelijk kunnen democratiseren, maar hoe we kunnen bevorderen dat de besten ook werkelijk komen bovendrijven, meer dan nu het geval is. Waarbij uiteraard moet worden aangetekend dat wie de beste is lang niet altijd gemakkelijk te bepalen is. Dat doet echter niets af aan het belang van die bepaling.

Het is significant dat, toen de democratie in het Westen officieel werd ingevoerd, zo rond het begin van de twintigste eeuw, algemeen de gedachte leefde dat de representatieve organen moesten bestaan uit de besten onder het volk. Met andere woorden: zelfs de democratie kan alleen behouden blijven als ze een fors element van meritocratie bevat. Zou dat waar zijn?

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit Column prof. Kinneging