De Endlösung en de zeven juristen

Geschreven door Andreas Kinneging op 28-07-2015

De Endlösung en de zeven juristen 


Op twintig januari 1942 kwamen vijftien hoge functionarissen van het Nazi-regime bij elkaar in een fraaie villa aan de oever van het Wannmeer – die Wannsee –, dat in de omstreken van Berlijn ligt. Onderwerp van discussie en besluitvorming: de organisatie van het Endlösung, eufemisme voor het zo snel mogelijk op ordentliche wijze alle Europese joden uitroeien. Over rhetorica gesproken… Hier is het fameuze A4-tje waarin de doelstellingen keurig netjes zijn samengevat.

Wanneer men de biografieën van de vijftien conferentiedeelnemers bestudeert, ontdekt men al snel dat maar liefst zeven van de vijftien gepromoveerd jurist waren. Pijnlijk is een woord dat ver achterblijft bij wat ik, zelf ook doctor iuris, dan voel. Een jurist is iemand die geacht wordt bewaker –custos – van het recht te zijn. Is aan de Wannsee door deze geleerde juristen recht gevonden, recht gesproken, recht gedaan?  Wie deze vraag bevestigend beantwoordt, is dom of slecht en waarschijnlijk allebei. Op de Wannseeconferentie is onuitsprekelijk onrecht gedaan, misschien wel het grootste onrecht ooit in de geschiedenis van de mensheid. Iedereen met een enigszins functionerend rechtsgevoel begrijpt dat. Elf miljoen mensen doden, die niets hebben misdaan, dat heeft met recht geen fluit te maken. Hoe kan het dan dat deze zeven doctores in de rechtsgeleerdheid mee hebben geholpen dit op te zetten?

Het zou natuurlijk kunnen zijn dat de zeven wel wisten dat wat ze deden onrecht was, maar dat ze de moed niet hadden om openlijk voor hun inzichten uit te komen. Dat zou hen immers op zijn minst hun carrière hebben gekost. Weinig mensen zijn moedig. Toen niet en nu ook niet. Ze houden zich gedeisd en zeggen niks, ook al zijn ze sterk tegen wat zich afspeelt. Dat is een van de redenen waarom onrecht vaak zo lang blijft bestaan. Pas als enkele moedige voortrekkers hun stem laten horen en de massa merkt dat het protest bij velen aanslaat, sluit men zich er openlijk bij aan.

In dit geval is gebrek aan moed echter weinig aannemelijk, omdat uit de biografieën van de heren overduidelijk blijkt dat ze vol overtuiging meewerkten aan de ‘finale oplossing’.

Nu kan men om twee redenen ergens vol overtuiging aan meewerken. Ten eerste omdat men het inhoudelijk eens is met het beleid. En ten tweede omdat men ervan uitgaat dat het zo hoort en dat het juist en goed is als men meewerkt. Ik bespreek beide redenen in genoemde volgorde.

Misschien waren de zeven het inhoudelijk eens met de Nazi-politiek en vonden ze ook dat alle Europese joden moesten worden uitgeroeid. In dat geval zullen ze het wel rechtvaardig hebben gevonden. Maar dan moeten ze ook gedacht hebben dat alle joden schuldig waren aan een zwaar vergrijp. Voor een licht vergrijp doodt men immers een ander niet, zo zullen ook zij gevonden hebben. Wat was dit zware vergrijp? In allerlei stukken, zoals Goebbels’ beroemde rede Wollt Ihr den totalen Krieg?, kan men nalezen dat het gaat om een mondiale joods-bolsjewistische samenzwering, die de Europese samenleving te gronde zou hebben willen richten. Zouden de zeven daar echt in geloofd hebben? Als jurist moeten ze toch geleerd hebben dat daarvoor overtuigend bewijs moet worden gevonden? Wat er uiteraard niet is en was. Het hele idee van een mondiale samenzwering, laat staan een joods-bolsjewistische, is te bespottelijk voor woorden. Hoe kunnen geleerde mensen hierin tuinen? Bovendien: zelfs als er zo’n samenzwering was, hoe aannemelijk of zelfs maar denkbaar is het dan dat alle Europese joden hieraan mee deden en dus medeschuldig waren? Of zouden de zeven uit zijn gegaan van de notie van ‘collectieve schuld’? Wie jood is, is schuldig aan de joodse samenzwering, ook al heeft hij er niets mee te maken. Maar dat is voor een opgeleid jurist evident een onbegaanbaar pad. Schuldig is men alleen als men daadwerkelijk betrokken was bij het vergrijp. Niet als men alleen tot dezelfde ethnische of religieuze groep behoort als de plegers.

Kortom, deze optie is vrijwel uitgesloten. De gedachte van een joods-bolsjewistisch complot, waar alle joden op de een of andere manier bij betrokken zijn, en waar ze allemaal voor gestraft moeten worden met de dood, is het product van een waanzinnige geest. Het is onwaarschijnlijk dat alle nazi’s of zelfs maar de meerderheid waanzinnig was en deze rhetoriek voor waar aanzag. Er moeten dus andere redenen zijn geweest waarom ze meededen. Dat geldt waarschijnlijk ook voor (de meeste van) onze zeven geleerde juristen.

Wat dreef hen om hieraan mee te doen? Het kan heel goed zijn, is zelfs aannemelijk, dat ze het deden omdat ze er van overtuigd waren dat ze als onderdaan en a fortiori als jurist moesten doen wat het wettelijk gezag hen opdroeg. In dat geval zijn ze dus helemaal niet getreden in de inhoudelijke overwegingen, maar hebben ze als goede, gehoorzame rechtsgenoten het recht, zoals geproclameerd door de bron van het recht, in dit geval de Führer, uitgevoerd en toegepast. Befehl ist Befehl, Gesetz ist Gesetz, wir haben nur unsere Plicht getan: bevel is bevel, wet is wet, we hebben slechts onze plicht gedaan. Dit is de kern van de verdediging van vele Nazi’s in de naoorlogse processen, waarin ze terechtstonden.

Dit heet rechtspositivisme. In Duitsland, maar ook overal elders in Europa, was het in de negentiende eeuw opgekomen en langzaamaan de dominante opvatting geworden. Het begrip ius –recht- komt, volgens deze opvatting van iussum: wat bevolen is. Het recht is zo gezien een geheel van bevelen, met aan de top het bevel van de soevereine machthebber, dat zelf niet meer is dan een subjectieve, in essentie willekeurige voorkeur.

Wie een goed beeld wil krijgen van deze mentaliteit leze Hannah Arendts Eichmann in Jeruzalem. En hij bekijke de documentaire De Specialist, te vinden op het internet. Boek en film gaan over Adolf Eichmann, één van de deelnemers aan de Wannseeconferentie.

Het rechtspositivisme heeft bijgedragen aan de Nazi-politiek van de ‘finale oplossing’, dat is duidelijk. Het heeft er niet direct toe aangezet, maar heeft de Duitsers in het algemeen en de Duitse juristen in het bijzonder de intellectuele wapens uit handen geslagen die hen hadden kunnen helpen tegen het regime in verzet te komen, in ieder geval passief. Het heeft hen er integendeel mede toe gebracht mee te werken, omdat de wet nu eenmaal de wet zou zijn.

Na de oorlog heeft men, onder het motto ‘Dit nooit meer’, grote moeite gedaan juristen anders op te leiden. De curricula zijn gewijzigd. In alle vakken moest het in ieder geval ook gaan over wat de grondslag is van het recht: niet het iussum, maar het iustum, het rechtvaardige.

In de tijd dat ik studeerde was de oorlog al weer enigszins op de achtergrond geraakt, maar hij was toch nog voelbaar aanwezig, al was het maar omdat de oudere docenten hem nog zelf hadden meegemaakt. Dat stempelde toch ook de discussie. Inmiddels lijkt de oorlog en de ‘finale oplossing’ echter heel ver te zijn weggezakt. We spreken er nog wel over, maar we voelen het niet meer in onze botten. Het behoeft dan ook geen verbazing te wekken dat de juridische opleidingen in den lande en daarbuiten, zelfs in Duitsland, weer overwegend rechtspositivistisch zijn geworden.

Studenten van verschillende juridische faculteiten vertellen mij dat de notie van rechtvaardigheid eigenlijk nooit aan de orde komt in de colleges. Zelfs de mensenrechten, die toch vooral als gevolg van de oorlog zijn gejuridificeerd, worden doorgaans op positivistische manier besproken. Dit is, dunkt me, in het licht van de geschiedenis, geen gunstige ontwikkeling.

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit Column prof. Kinneging