Democratie en heerschappij

Geschreven door Andreas Kinneging op 23-02-2022

Een democratie wordt algemeen gezien, in Lincolns beroemde woorden uit zijn Gettysburg Address (1863), als “een regering van het volk, door het volk, voor het volk”. Ze is als zodanig de tegenpool van de veronderstelde traditionele regeringsvorm: een bevoorrechte klasse die heerst over het volk. De eenvoudige waarheid is echter dat het volk zichzelf nooit regeert. Gaetano Mosca’s briljante Elementi di Scienza Politica, voor het eerst gepubliceerd in 1896, maakt dit punt op krachtige wijze duidelijk. Zijn basisinzicht is eenvoudig. Er bestaat geen menselijke organisatie zonder rangorde en ondergeschiktheid. Het is altijd zo dat sommigen bevelen en anderen gehoorzamen. Dit is, zegt hij, even waar in de politiek, als op andere terreinen: 

“In alle samenlevingen (…) komen twee klassen van mensen voor - een klasse die heerst en een klasse waarover geheerst wordt. De eerste klasse, altijd de minder talrijke, oefent alle politieke functies uit, monopoliseert de macht en geniet de voordelen die de macht met zich meebrengt, terwijl de tweede klasse, de meer talrijke, door de eerste wordt geleid en gecontroleerd, op een wijze die nu eens min of meer wettig, dan weer min of meer willekeurig en gewelddadig is…”  

Er bestaat altijd een heersende klasse, ook in de democratie. Daar komt nog iets bij: de heersende klasse is nooit verenigd. Er zijn altijd verschillende groeperingen binnen de heersende klasse, die vechten om de overheersing. In de hofmaatschappij zijn dit voornamelijk hofkliekjes; in de moderne democratie, politieke partijen die vechten om de heerschappij in parlement en regering. Maar deze facties vinden daarnaast altijd vele andere plaatsen om tegen elkaar samen te zweren.

Net zoals de heersende klasse nooit een samenhangend geheel zal zijn, zo zal zij ook nooit volledig gesloten zijn voor sociale klimmers. Mosca merkt op dat “de tendens om heersende klassen van onderaf aan te vullen... voortdurend in alle menselijke samenlevingen in meer of mindere mate aan het werk is.” Dit was net zo waar in vroegere tijden, als in de onze. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, was de Franse adel van het ancien régime bijvoorbeeld relatief open, zoals wel blijkt uit het feit dat de grote meerderheid van de adellijke families in de achttiende eeuw van recente oorsprong was. De drie generaties die vanouds nodig waren om tot de heren en dames te worden gerekend en tot de heersende klasse door te dringen, worden anno nu door velen beschouwd als een schandalig gebrek aan openheid. Moderne democraten zijn van mening dat hoge ambten in principe open moeten staan voor iedereen, ongeacht zijn of haar sociale achtergrond. Maar als we de praktijk bezien is dat beslist niet het geval en duurt het ook nu nog vaak drie generaties. We zijn, of we het nu willen erkennen of niet, nog steeds tot op zekere hoogte zo niet een standen- dan toch in ieder geval een klassensamenleving.

Mosca heeft gelijk: we zitten opgescheept met een heersende klasse, ongeacht de staatsvorm. Dit is voor elke democraat moeilijk toe te geven, want zijn eerste geloofsartikel is dat iedereen gelijk is. Om het ongemak te verminderen, wordt de heerschappij retorisch verbloemd door haar andere, democratisch meer aanvaardbare namen te geven, waarvan “leiderschap” momenteel de meest modieuze is. Naar hedendaags taalgebruik is heerschappij een kenmerk van ondemocratische systemen; leiderschap daarentegen is iets dat democratieën hebben. Maar ‘a rose is a rose by any other name’ en dat geldt ook voor de heersende klasse.

Als inderdaad alle staten een heersende klasse hebben, is het van groot belang over deze heersende klasse na te denken. Want er is geen garantie dat het een goede heersende klasse zal zijn. Integendeel. Mensen zijn geen engelen, zoals Madison het zo treffend uitdrukt in ‘Federalist Paper nr. 51’. Iedereen wordt geboren met alle menselijke zwakheden: trots, luiheid, ijdelheid, hebzucht woede en de rest. Als we bedenken dat politieke macht grote verleidingen in zich bergt, omdat ze ook veel mogelijkheden biedt, is duidelijk dat de kansen grotelijks in het voordeel van slechte heerschappij zijn. De geschiedenis levert hiervoor meer dan genoeg empirisch bewijs. Wij willen echter goede heersers. De vraag is: hoe krijgen we die? 

Een van de klassieke argumenten voor democratie is dat zij ons − de geregeerden − in staat stelt ‘to send the bastards home’. Dit argument borduurt voort op een eeuwenoud republikeins idee, dat teruggaat tot de oude Grieken en Romeinen: burgers dienen de constitutionele macht te hebben om ambtsdragers te controleren en weg te stemmen. Democratie, in deze zin, is eenvoudigweg de uitbreiding van de burgerlijke status − van oudsher het exclusieve voorrecht van een beperkte groep − tot de gehele volwassen bevolking. 

Merk op dat democratie, op deze manier gedefinieerd, geen zelfbestuur is. Zij veronderstelt een heersende klasse en een klasse waarover geheerst wordt. Deze opvatting van democratie houdt in dat degenen over wie geheerst wordt de juridische en politieke middelen moeten hebben om zich van de heersers te ontdoen, zodat de heersers een sterke stimulans hebben om de belangen en de ideeën van degenen over wie zij heersen te bevorderen. Als het eigenbelang van de heersers niet op deze manier verbonden is met het eigenbelang van het volk, valt, gezien de zwakheden die inherent zijn aan de menselijke natuur, te vrezen dat de heersers het belang van het volk over het algemeen zullen veronachtzamen ten gunste van hun eigen belang.

Het machiavellisme van deze visie heeft een zekere intuïtieve aantrekkingskracht. Het lijkt te zijn gebouwd op de lage, maar veilige bodem van het eigenbelang van de heersers en het volk. Maar ze is bij nader inzien niet houdbaar. Bij nadere beschouwing van de feiten blijkt dat de zaken niet zo eenvoudig liggen. De controle op de heersers door het volk werkt namelijk alleen goed als het volk een bepaald ethos heeft, bepaalde deugden. 

Ten eerste moet het volk voldoende kennis hebben om redelijke en juiste oordelen te kunnen vellen over wat de heersende klasse doet. Ten tweede moet het zich bekommeren om het algemeen belang en niet alleen om het eigenbelang. Alle intelligente theoretici van de democratie, uit heden en verleden, zijn zich bewust van deze twee vereisten van het systeem: kennis van zaken en gemeenschapszin. Vandaar het belang dat altijd wordt toegekend aan burgereducatie. Het machiavellistische argument − dat eigenbelang de democratie voldoende kan waarborgen en geen persoonlijke deugdzaamheid is vereist − is dus niet levensvatbaar. Democratie kan alleen voortbestaan als het volk een specifiek ethos heeft.

Het volk begeesterd door een democratisch-republikeins ethos, goed geïnformeerd en bereid offers te brengen voor het algemeen belang; is dat een realistisch ideaal? De geschiedenis geeft alle reden om daar pessimistisch over te zijn.

Wat het eerste aspect betreft: in werkelijkheid is de kennis van de meeste mensen over wat heersers eigenlijk doen, uiterst oppervlakkig. Dat is niet zo vreemd. Mensen hebben immers andere, dringendere dingen te doen en kunnen maar zeer beperkt tijd besteden aan het zich verdiepen in wat er in de politiek gebeurt. Bovendien hebben zij als individu geen enkele macht of invloed, zodat er weinig motivatie is om zich een goed geïnformeerde mening te vormen. Wat hun gezin, werk of directe omgeving betreft, zijn mensen zich over het algemeen goed bewust van wat in hun belang is, en hoewel beoordelingsfouten voorkomen, zijn zij meestal heel goed in staat zich adequaat te informeren. Wanneer het echter gaat om de grote beslissingen die in de politiek moeten worden genomen, wordt het voor hen erg moeilijk, zo niet onmogelijk, om zich goed op de hoogte te stellen en een adequate mening te vormen over wat in hun eigen en het algemeen belang is.

Op dit gebied is de gemiddelde mens teruggebracht tot een niveau van geestelijke prestaties dat hij zelf als infantiel zou beschouwen in de sfeer van zijn gezin, zijn werk en zijn onmiddellijke omgeving. Hij redeneert en analyseert op een primitieve manier, voornamelijk associatief en affectief. Omdat hij de politieke realiteit niet begrijpt, zal hij gemakkelijker toegeven aan onredelijke impulsen en vooroordelen dan in zijn persoonlijk leven, wat soms resulteert in gemeenheid en onmenselijkheid - “Sluit alle grenzen” - maar op andere momenten in een even bedenkelijke over-generositeit en naïef vertrouwen in zijn medemensen - “Laat iedereen binnen”. Wanneer dergelijke impulsen en vooroordelen in stemmen worden omgezet, hebben zij zeer schadelijke gevolgen. Bovendien biedt dit infantilisme allerlei demagogen de gelegenheid om de massa’s te vleien, leugens te vertellen, hun gevoelens te bespelen, en hun vooroordelen uit te buiten en aan te wakkeren voor hun eigen doeleinden. Het gevolg is dat de “wil van het volk” eerder gefabriceerd dan authentiek is. En zelfs als hij authentiek is, is hij niet redelijk en doordacht.

Wat het tweede aspect betreft, een werkelijke bekommernis om het algemeen belang en de bereidheid om compromissen te sluiten, of zelfs zijn eigen belang op te offeren voor het grotere belang en de harmonie van allen: ook deze deugd ontbreekt gewoonlijk. De natuurlijke neiging van het individu is zijn eigenbelang te volgen ten koste van dat van anderen, de natuurlijke neiging van de meerderheid is het haar eigenbelang te volgen ten koste van de minderheid. Dit laatste verschijnsel staat sinds Tocqueville bekend als de “tirannie van de meerderheid”.

In tegenstelling tot wat velen vroeger verwachtten, heeft de stijging van het algemene onderwijsniveau de staatsburgerlijke kwaliteiten van de bevolking zeker niet verbeterd. Ook de overweldigende aanwezigheid van moderne massamedia in ons leven heeft dat niet gedaan. De burgerschapskwaliteiten lijken zelfs te zijn afgenomen. Het hierboven vermelde infantilisme is minstens even typerend voor nu als voor het verleden. Er zijn geen tekenen dat zijn inzicht in de politiek toeneemt. En de status van het algemeen belang is waarschijnlijk nog nooit zo laag geweest.

Dit alles heeft een belangrijke implicatie. Het betekent dat het volk in werkelijkheid nooit in staat zal zijn de heersers adequaat te controleren, ook niet in een democratie. In werkelijkheid zal er dus altijd ruimte zijn voor de heersers om hun macht te misbruiken voor hun eigenbelang en in strijd met het belang van het volk. Het zal altijd mogelijk zijn voor de heersers, zelfs in een democratie, om het volk aan hun grillen te onderwerpen. Gezien de gebreken die inherent zijn aan de menselijke natuur en dus ook aan die van heersers, is dit niet louter een theoretische mogelijkheid. Integendeel, het is waarschijnlijk dat het gebeurt, als er geen sterke, werkende barrière tegen wordt opgeworpen. Dat dat geen constitutionele check kan zijn, heeft bovenstaande argumentatie uitgewezen. Machtsmisbruik kan alleen worden voorkomen als er, naast constitutionele checks ‘van buitenaf’ op de heersers, ook bepaalde ‘innerlijk checks’ bestaan in de ziel van de heersers. We praten dan over concepten als geweten en karakter. Wordt vervolgd. 

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit Column prof. Kinneging

Het huwelijk: een open norm?

Column prof. Kinneging

Academische vrijheid

Column prof. Kinneging

Classificatie en hokjesgeest

Column prof. Kinneging

Woke en het communisme

Column prof. Kinneging