Inleiding
De 19e eeuw is in velerlei opzicht een
wisseling van tijdperken. Op allerlei terreinen onderging de sociale en
maatschappelijke maatschappij, alsook het staatkundig bestel, grote
veranderingen. Enerzijds kwam de door de Franse Revolutie van 1789 in beroering
gebrachte samenleving weer tot rust door de Restauratie ten gevolge van het
Congres van Wenen in 1815[1] en anderzijds volgde de ene na de andere nieuwe
technologische ontwikkeling[2] elkaar op waardoor de maatschappij op een dusdanig
ingrijpende wijze veranderde dat de samenleving niet meer hetzelfde was.[3] In
Nederland liep men echter sterk achter, daar de meeste ontwikkelingen hun
oorsprong vonden in het welvarende en vooruitstrevende Verenigd Koninkrijk met
haar handelsprotectionisme. Ook de slechte economische situatie in Nederland
als gevolg van de Franse aanwezigheid tot 1813 en de daarbij behorende
belastingen alsook het continentaal stelsel droeg hieraan bij.[4]
Door bovengenoemde
ontwikkelingen kwamen de Nederlandse technologische en industriële revoluties
pas laat op gang. In deze bijdrage wordt hieraan verder aandacht besteed door
de opkomst van de stroomtrein en spoorwegen in Nederland te bezien en specifiek
het onteigeningsvraagstuk dat daarbij een grote rol ging spelen. Het is hierbij
passend om een uitspraak van het Provinciaal Gerechtshof van Holland te
behandelen.[5] De centrale vraagstelling daarbij luidt: welk achterliggend
probleem laat de onteigeningsproblematiek zien en op welke wijze wordt dit
probleem zichtbaar? In de tweede paragraaf bezien we daartoe kort de opkomst
van stoomtreinen en spoorwegen in Nederland. De derde paragraaf volgt met de vaststelling
van het (toenmalige) Nederlandse eigendomsbegrip. In de vierde paragraaf wordt
ingegaan op de onteigeningsproblematiek in breed perspectief. Hierbij wordt
onder andere aandacht besteed aan de argumenten die partijen in de voornoemde
uitspraak destijds gebruikten. Ten slotte wordt afgesloten met een korte
samenvatting, terugblik en een conclusie over de bevindingen.
De opkomst van de spoorweg
In Engeland ontstonden al vroeg in de 19e
eeuw de eerste stoomtreinen en de daaraan gekoppelde spoorwegen.[6] De Engelsen
hanteerden op hun eigen grondgebied een systeem van vrije marktwerking. Voor
het aanleggen en exploiteren van een spoorweg in het begin van de 19e
eeuw was geen toestemming van een overheidsinstantie vereist[7] en eenieder die
over voldoende middelen beschikte kon dit derhalve doen.[8] Door deze vrije
marktwerking en de aanwezigheid van goede industrie, een werkende kapitaalmarkt
en prospectus nam het aantal spoorwegen in Engeland snel toe.9
In Nederland ging alles
niet zo snel.[10] Pas in 1837 werd de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij
(ook wel HIJSM of HSM genoemd) opgericht en niet eerder dan 20 september 1839
reed de eerste stoomtrein in Nederland tussen Amsterdam en Haarlem.[11] Deze
zogenaamde Oude Lijn die via Leiden, Den Haag en Delft uiteindelijk in 1847
Rotterdam bereikte, maakte onderdeel uit van de IJzeren Spoorweg en was lange
tijd ook de enige spoorweg in Nederland.[12] Het aanleggen van het eerste traject
tussen Amsterdam en Haarlem kostte echter veel moeite. Allerlei partijen waren
om diverse redenen tegen de komst en aanleg van de spoorweg en een zekere
landeigenaar wilde zijn grond uitdrukkelijk niet verkopen. Dit stuk was echter
nodig en derhalve startte de HSM een onteigeningsprocedure. Dit leidde
vervolgens tot een juridisch interessant vraagstuk betreffende de (al dan niet)
geldende onteigeningsregels.
Het Nederlands eigendomsbegrip
Hierboven werd reeds het onteigeningsrecht genoemd.
De Van Dale omschrijft onteigenen als ‘een tegen schadeloosstelling ontnemen (red. in beginsel van
eigendom van onroerend goed) ten behoeve van de overheid en in het
algemeen belang’.[13] In het woord ‘onteigenen’ horen we het woord
‘eigendom’ of ‘eigenaar’ terug en daarom is het van belang kort stil te staan
bij het geldend Nederlands eigendomsbegrip omstreeks 1840.
De Romeinen stelden dat
eigendom de eigenaar de bevoegdheid verschaft om over het voorwerp van eigendom
op de meest volstrekte wijze te beschikken, te bezwaren en daarvan de vruchten
te trekken.[14] Verder geldt de Romeinsrechtelijke eigendom als universeel,
absoluut, is ze niet gebonden aan tijd en is het iets anders dan (de feitelijke
toestand van) bezit.[15] In navolging van het Romeinsrechtelijke eigendomsbegrip,
kon ook het Nederlands eigendomsrecht individualistisch getypeerd worden.[16] Tijdens de Franse tijd was de regeling in haar aard iets anders,[17] maar na het
einde van de Franse tijd keerde de Nederlandse wetgever weer terug naar het
individualistische eigendom.[18] Dit is het uitgangspunt van waaruit we de
onteigening als zodanig als uitzondering op het absolute eigendomsrecht van de
eigenaar moeten beschouwen.[19]
De onteigeningsproblematiek in perspectief
Het
wettelijk kader omstreeks 1840
We hebben vastgesteld dat het eigendomsbegrip in Nederland omstreeks 1840 een sterk recht voor de eigenaar inhield. Art. 625 OBW
bood echter al de mogelijkheid om (primair grond) te onteigenen voor het
algemene nut en tegen behoorlijke schadeloosstelling. Het artikel sprak echter
wel over ‘ingevolge de Grondwet’. De
destijds geldende Grondwet was die van 1815.[20] Het betreffende artikel 164
spreekt over ‘gevallen en wijze bij de wet te bepalen’ en het was onduidelijk
of het OBW (specifiek artikel 625) deze wet was die aan dit Grondwetsartikel
invulling gaf. Het leek echter uit de letterlijke tekst de bedoeling te zijn
een speciaal ontworpen Onteigeningswet te creëren en in dat geval zou
artikel 625 OBW hiervan los staan. Daarnaast herhaalt artikel 625 OBW de
Grondwet alleen maar, zonder een verdere concrete uitwerking.[21] Diverse
juristen stelden dan ook dat de wet hier een leemte bevatte en dat onteigening
niet mogelijk was zonder een (specifieke) wet in formele zin, aangezien de
Grondwet daar duidelijk over sprak en het onteigeningsvraagstuk onder het bereik
van het burgerlijk recht viel.[22]
Er waren echter ook
juristen die betoogden dat bovenstaande onjuist was.[23] De wet bevatte weliswaar
onduidelijkheid, maar op de grond dat het onteigeningsvraagstuk een
staatsrechtelijk vraagstuk was, bestond er alsnog de mogelijk tot onteigening.
Na de Franse afscheiding in 1813 werd Nederland omgevormd tot het (Verenigd)
Koninkrijk der Nederlanden in 1815 met een daarbij behorende Grondwet.
Nederland kreeg een eigen rechtsorde, maar door de vele jaren Franse bezetting
en invloed bestonden er bijna alleen Franse wetten. In afwachting van de
vervanging daarvan bepaalde artikel 2 van de Additionele Artikelen bij de
Grondwet van 1815 dat ‘alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, en alle
thans in werking zijnde wetten behouden kracht, tot daarin op eene andere wijze
zal zijn voorzien’, teneinde leemtes te voorkomen. Deze groep juristen stelde
dat op grond hiervan de Franse onteigeningswet uit 1810 nog geldig was en
daarmee overgangsrecht vormde tot de invoering van een Nederlandse wet. Zolang
dat niet gebeurd was, gold de Franse wet en was onteigening op grond van
daarvan en artikel 164 Grondwet 1815 jo. artikel 2 Additionele Artikelen
mogelijk.
Deze twee opvattingen
gingen uit van een andere grondslag van het onteigeningsleerstuk, namelijk de
vraag of het te scharen viel onder het burgerlijk recht dan wel het
staatsrecht. Hierdoor ontstonden ook twee verschillende conclusies. Het is dan
ook niet verwonderlijk dat partijen in de nu te behandelen uitspraak van het
Provinciaal Gerechtshof van Holland een beroep deden op respectievelijk deze zienswijzen.
Het arrest van het Provinciaal Gerechtshof van Holland op 11 september 1839
In het reeds aangekondigde arrest stonden
landeigenaar Beukman en de staatsraad-gouverneur van Noord-Holland lijnrecht
tegenover elkaar. Beukman had een stuk grond tussen Amsterdam en Haarlem in
eigendom en de HSM wilde dit stuk kopen teneinde de spoorweg tussen Amsterdam
en Haarlem aan te leggen. Beukman weigerde dit echter, waarop de HSM een
verzoek tot onteigening indiende bij de staatsraad-gouverneur die het verzoek inwilligde,
waarop Beukman naar de rechter stapte.[24] In eerste aanleg wees de rechtbank van
Amsterdam Beukmans klachten af, waarna hij hoger beroep instelde.[25]
P.C. Schooneveld stelt
namens Beukman dat het in deze zaak primair gaat over de vraag of de Franse
Onteigeningswet uit 1810 nog steeds kracht van wet heeft met oog op de hierboven
uiteengezette discussie. Hij vervolgt door te stellen dat praktisch alles
zomaar ‘te algemene nutte’ genoemd wordt en dat het ‘heiligste recht van
eigendom nutteloos wordt opgeofferd’ zonder eerlijke en correct werkende
waarborgen. Hiermee wordt gedoeld op de willekeur van de bestuurlijke macht (en
derhalve met name koning Willem I). Daarnaast voerde hij aan dat de Code
Napoleon en alle daaruit voortvloeiende wetten, besluiten en overige
verordeningen onherroepelijk waren vernietigd en dat het derhalve vreemd zou
zijn om de Onteigeningswet ineens tot het staatsrecht te rekenen, temeer daar
de rechtbank Amsterdam in eerste aanleg gesteld had dat de wet weliswaar
afgeschaft was, maar toch voor de toepassing in concrete gevallen gebruikt
mocht worden, daar het Nederlandse recht onvolledig was met betrekking tot deze
kwestie.[26]
Advocaat-generaal
P.E. Piepers voert namens de staatsraad-gouverneur verweer en stelt dat Beukmans
eigendomsrecht gerespecteerd wordt, maar dat ‘een eerste beginsel van
staatsrecht’ uitmaakt dat onteigening plaats kan vinden. Daar de Grondwet
onvolledig is, is het juist terug te grijpen naar de Franse wet. De wet behoort
tot het staatsrecht en is, bij gebrek aan vervangende wetgeving, niet
vervallen.[27]
In zijn arrest van 11
september 1839 doet het Provinciaal Gerechtshof van Holland uitspraak en stelt
samenvattend dat de Franse wet vanaf 1811 in Nederland gelding heeft, er
sindsdien geen andere, vervangende wetten gemaakt zijn en dat de Franse wet
derhalve nog gelding heeft op grond van art. 2 Additionele artikelen bij de
Grondwet. Het hof rekent de wet tot het staatsrecht en daarmee wordt Beukmans
beroep niet-ontvankelijk verklaard en kan de onteigeningsprocedure doorgang
vinden.[28]
Het achterliggende probleem bij de onteigeningsproblematiek
Zoals we in de vorige paragraaf gesteld hebben,
maakt het Hof van Holland een einde aan de discussie en stelde dat de wet tot
het staatsrecht behoorde en derhalve nog gelding had. Waar de rechtbank van
Amsterdam nog stelde dat de wet weliswaar nog toepasselijk, maar wel vervallen
was en de rechtbank te Utrecht zich in een eerdere zaak ook voorzichtig
uitliet,[29] zette het Hof van Holland door.
Het ligt voor de hand
dat niet iedereen hier blij mee was.[30] Het door het Hof van Holland gewezen
arrest hield de weg tot onteigening zonder duidelijke waarborgen voor diegenen
wiens gronden onteigend werden open. Daarnaast werd door dit arrest de constitutionele
problematiek met betrekking tot koning Willem I als vorst en privépersoon in
stand gelaten. Als hoogste bestuurder met veel invloed kon Willem I immers
bepalen welke verzoeken tot onteigening werden toegewezen en welke niet, daar
daarvoor een Koninklijk Besluit nodig was. Hierdoor kon belangenverstrengeling
ontstaan, omdat Willem I in zijn privé-hoedanigheid veel investeerde in onder
andere de aanleg van de eerste spoorlijn, waar ook bovengenoemde zaak over
gaat.[31] Om die reden had hij belang bij de doorvoering van de onteigening van
Beukmans grond en wellicht is het Hof van Holland door politieke druk en de
politieke wens van onteigening gezwicht. Hoe het ook zij, het arrest heeft deze
praktijk of de mogelijkheid daartoe in stand gehouden.
Voornoemd probleem
kaartte een zekere ‘H.’ in een ingezonden stuk dat op 2 september 1839 in het Weekblad van het Regt verscheen reeds
aan. Hij merkt op dat een belangrijk rechtsbeginsel in het geding is, hetwelk
voor alle rechtsgeleerden en bestuurders relevant is. Hij wijst vervolgens op
het standpunt dat het onteigeningsrecht een zeker deel van het staatsrecht en
de Grondwet uitmaakt, maar dat het dan aan de regering is om de onteigening
‘naar goedvinden te doen plaatshebben’. In het verlengde daarvan is het huidige
stelsel waarbij de koning toestemming kan verlenen tot onteigening
‘willekeurig, onnoodig en ongeoorloofd’ en dit leidt tot belangenverstrengeling
danwel de schijn daarvan en dit is onwenselijk en dient zo spoedig mogelijk
verholpen te worden.[32] De omschreven constitutionele belangenverstrengeling
moet zodoende duidelijk tegen de achtergrond van de onteigeningsproblematiek in
de eerste helft van de 19e eeuw gezien worden, al was dit geen
exclusief Nederlands fenomeen.[33]
Afloop zaak-Beukman
Tot slot nog een enkel woord ten aanzien van de
afloop van de hierboven behandelde zaak. Na afwijzing van de heer Beukman zijn
eisen door zowel de rechtbank te Amsterdam als het Provinciaal Gerechtshof van
Holland, ging de heer Beukman nog in cassatie tegen het gewezen arrest.[34] De procureur-generaal
bij de Hoge Raad gaf een conclusie uit die concludeerde tot cassatie van het
arrest. Dit was echter gebaseerd op procedurele gronden en niet op inhoudelijke
gronden.[35] De Hoge Raad casseerde echter niet en daarmee bleef het voornoemde
arrest in stand.[36]
Conclusie
In de voorgaande paragrafen van deze verhandeling
hebben we achtereenvolgens de opkomst van de eerste spoorwegen in Engeland en
Nederland, het Nederlandse eigendomsbegrip na de Franse tijd en de
onteigeningsproblematiek in de eerste helft van de 19e eeuw bezien. Ten
aanzien van laatstgenoemde onderwerp hebben we verdiepend het wettelijk kader
omstreeks 1840 met betrekking tot onteigeningsrecht geschetst en het arrest van
het Hof van Holland als voorbeeld behandeld om vervolgens door te dringen tot
de (achterliggende) kern van het probleem.
Concluderend kunnen we
het antwoord op de centrale vraag uit deze bijdrage vaststellen. De vraag luidt
als volgt: welk achterliggend probleem laat de onteigeningsproblematiek zien en
op welke wijze wordt dit probleem zichtbaar? We kunnen het antwoord als volgt
formuleren: het achterliggende probleem is het probleem van constitutionele
belangenverstrengeling en dit laat zich door een nadere analyse van de
toenmalige bestuurlijke omstandigheden en verhoudingen kennen. Dit laatste
concretiseert zich bij uitstek in de persoon van koning Willem I die destijds
als vorst met vrijwel volledige absolute macht regeerde en besluiten op dusdanige
wijze naar zijn hand kon zetten waarvan zijn private investeringsprojecten konden
profiteren en daarmee, naar huidige en toenmalige maatstaven, een schijn van
corruptie in het leven riep. Het behandelde arrest geeft hieraan een passende
en typerende invulling en laat de mogelijkheid van voornoemde koninklijke
invloed geheel open, daar het in cassatie bevestigd is.
H.J. (Rick) Weijers is masterstudent Notarieel Recht aan de Universiteit Leiden.
1. Zie voor een gedetailleerd overzicht betreffende het Congres van Wenen Th. Luykx, Geschiedenis van de internationale betrekkingen sedert het Congres van
Wenen, Brussel: Elsevier 1971.
2. Denk hierbij aan de Industriële Revolutie die
reeds vanaf omstreeks 1750 in Engeland zijn aanvang kende en na het begin van
de 19e eeuw het Europees continent deed opschudden. In de nasleep
hiervan volgde de zogenaamde chemische revolutie. Voorbeelden van
(consumptie)goederen die deze revoluties teweegbrachten zijn o.a. ingeblikt of
geconserveerd voedsel (1810), dynamiet (1866) en de mitrailleur (1884). Het is
daarom ook niet verwonderlijk dat het leger dergelijke ontwikkelingen warm
verwelkomde.
3. G.P.J Verbong in H.W. Lintsen e.a., Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne
samenleving 1800-1900. Deel V: techniek, beroep en praktijk, Zutphen:
Walburg Pers 1994, p. 14-15, 23-24 en 51-52. De auteurs laten aan de hand van
allerlei (praktische) voorbeelden zien hoe sterk de ontwikkelingen gedurende eind
18e en begin 19e eeuw het dagelijks leven beïnvloedden en
de beroepspraktijk van velen drastisch veranderde.
4. M. Broers, Europe
under Napoleon 1799-1815, Londen: Hodder Education Publishers 1996, p.
24-30. Zie ook F. Crouzet, ‘Wars, blockade, and economic change in Europe,
1792–1815’, J. Econ. Hist. 1964, afl.
24, p. 567-588. Zie tevens R. Derine, Grenzen
van het eigendomsrecht in de negentiende eeuw. Bijdrage tot de geschiedenis van
het moderne privaatrecht, Antwerpen: De Sikkel 1955, p. 128 en 255.
5. Hof Holland 11 september 1839, W. 49, p.
2-3.
6. Het was de Engelsman Richard Trevithick die in
1804 de eerste (moderne) stoomlocomotief ontwikkelde en daadwerkelijk bouwde.
Hierna volgden de ontwikkelingen elkaar in snel tempo op. Zie P. Payton, Oxford Dictionary of National Biography,
Oxford: Oxford University Press 2004.
7. Deze situatie wordt in het bijzonder duidelijk
door de typering die W.J.M. Westerwoudt hieraan geeft, namelijk: ‘(...) het eigenaardig karakter van de
Engelschen staat, die, waar het betrof het tot stand brengen van werken, er
sedert eeuwen de voorkeur aan had gegeven, om, steunend op de veerkracht en de
ondernemingsgeest van het volk, dit over te laten aan het vrije initiatief van
particulieren, die hierbij geleid werden door de zucht naar winst.’ Zie W.J.M. Westerwoudt, De Staat en de Spoorwegmaatschappijen
(diss. Amsterdam), Mezler & Basting 1882.
8. Daarbij valt op te merken dat de aanleg en
exploitatie van een spoorweg (wellicht vanzelfsprekend) toch niet eenvoudig
was: men had immers veel geld, grondstoffen, land en vertrouwen van
investeerders nodig. Hierdoor kwamen de meeste initiatieven niet van de grond.
Toch slaagden velen hier alsnog in en door het ontbreken van enige vorm van
coördinatie en toezicht van de overheid ontstond hierdoor een wildgroei aan
spoorwegen en spoorwegmaatschappijen met alle gevolgen van dien. Zie hierbij
C.J.H. Jansen, De wetenschappelijke
beoefening van het burgerlijke recht in de lange 19e eeuw, Deventer: Kluwer
2015.
9. Zie ook hierboven alinea 1 van de inleiding.
10. Zie wederom hierboven alinea 1 van de
inleiding en in dat verband ook noot 4.
11. Opmerkelijk is dat de HSM de bedrijfsstructuur
had van een naamloze vennootschap (NV). Deze bestonden in Nederland nauwelijks
en een duidelijk wettelijk kader ontbrak ook. Deze opzichzelfstaande
problematiek is interessant, maar leent zich helaas niet voor deze bijdrage.
Zie bijv. F.M. Huussen-de Groot, Rechtspersonen in de 19e
eeuw: Een studie van privaatrechtelijke rechtspersonen in de 19e-eeuwse
wetgeving van Frankrijk, Nederland en Duitsland (diss. Leiden), Leiden: Universitaire Pers Leiden 1976
en J.M. de Jongh, Tussen societas en
universitas. De beursvennootschap en haar aandeelhouders in historisch
perspectief (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2014 voor verdere
kennisname.
12. M.J. de Bosch Kemper, Handleiding tot de kennis van de wetenschap der zamenleving en van het
Nederlandsche staatsregt, Amsterdam:
Johannes Müller 1865, p. 883.
13. Van Dale, 2018. Voorts is onteigening
tegenwoordig goed geregeld op grond van art. 14 lid 1 van de Grondwet en de
Onteigeningswet van 1851 in aangepaste vorm. Zie Onteigeningswet, laatst
geldend van 1 september 2017, Stb. 2016, 290. Hierop wordt in de
volgende paragraaf voortgebouwd en aandacht aan besteed.
14. W.J.
Zwalve, Hoofdstukken uit de geschiedenis
van het Europese privaatrecht I: Inleiding en zakenrecht, Den Haag: Boom
Juridische uitgevers, 2006, p. 87-93.
15. Zwalve
2006, p. 90 e.v. Zie ook pagina 122. Zie voor een geheel andere traditie die
een totaal ander eigendomsbegrip hanteert p. 217-223 (Engelse common
law-traditie).
16. Zie A. Müller, Die Elemente der Staatskunst. II, Berlijn: 1809, p. 55 en 80. Zie
voorts K. Renner, Die Rechtsinstitute des
Privatsrecht und ihre soziale Funktion, 1929, p. 6.
17. J. Valkhoff, Een eeuw rechtsontwikkeling. De vermaatschappelijking van het
Nederlandse privaatrecht sinds de codificatie (1838), Amsterdam: De
Arbeiderspers 1949, p. 17-18. Zie ook R. Derine, Grenzen van het eigendomsrecht in de negentiende eeuw. Bijdrage tot de
geschiedenis van het moderne privaatrecht, Antwerpen: De Sikkel 1955, p.
4-11.
18. Zoals blijkt uit art. 625 OBW dat als volgt
luidde: ‘Eigendom is het regt om van
eene zaak het vrij genot te heben, en daarover op de volstrekte wijze te
beschikken, mits men er geen gebruik van make, strijdende tegen de wetten of de
openbare verordeningen, daargesteld door zoodanige magt, die daartoe, volgens
de Grondwet, de bevoegdheid heeft, en mits men aan de regten van anderen geen
hinder toebrenge; alles behoudens de onteigening ten algemeenen nutte tegen
behoorlijk schadeloosstelling, ingevolge de Grondwet.’ Hieruit volgt het
individualistische eigendomsbegrip. Het artikel biedt mogelijkheid tot
beperking, maar er geldt een vermoeden van vrijheid en onbeperktheid. Zie
Valkhoff 1949, p.18.
19. Dit eigendomsrecht wordt duidelijk verwoord in
het thans geldende art. 5:1 lid 1-3 jo. 5:3 BW.
20. In art. 164 van deze Grondwet uit 1815 lezen
we het volgende: ‘Ieder ingezeten
wordt gehandhaafd bij het vreedzaam bezit en genot zijner eigendommen. Niemand
kan van eenig gedeelte derzelven worden ontzet, dan ten algemeenen nutte, in de
gevallen en op de wijze bij de wet te bepalen, en tegen behoorlijke
schadeloosstelling.’ Ten
eerste wordt hierin reeds het belang van het eigendomsrecht uitgedrukt.
Vervolgens wordt er wel een mogelijkheid tot beperking voorzien.
21. Het OBW zelf was overigens pas net in werking
getreden, te weten op 1 oktober 1838 op grond van het KB van 10 april 1838, Stb.
1838, 12. De wet van 16 mei 1829, Stb. 1829, 37 bepaalde reeds de tekst
van het OBW, maar de inwerkingtreding werd uitgesteld als gevolg van de
Belgische afscheiding in 1830. Hierdoor ontstond tot 1839 een langdurige
conflictsituatie aan de grens van Nederland en België.
22. Juristen die dit gedachtegoed aanhingen waren
onder andere Schoonveld, Brugmans, Van
Affelen, Van Oorde en Donker Curtius volgens N. Olivier, Themis I/179. Dit stuk
bevat een compleet overzicht.
23. Juristen die dit gedachtegoed aanhingen waren
ondere andere Faber van Riemsdijk en Van Hall volgens N. Olivier, Themis I/179.
Ook reeds aangehaalde J. Valkhoff was voorstander van dit standpunt, zo blijkt
uit Valkhoff 1949, p. 19.
24. Hof Holland 11 september 1839, W. 49,
p. 2-3. De functie van een Staatsraad-Gouverneur is vergelijkbaar met de
huidige functie van de Commissaris van de Koning en deze vertegenwoordigde de
Koning op provinciaal niveau.
25. Rb. Amsterdam 4 februari 1839, W. 28, p. 1.
26. Hof Holland 27 mei 1839, W. 28, p. 1-4. In dit stuk draagt advocaat Schooneveld allerlei
zaken aan waarmee hij de ongeldigheid van de Franse wet betoogt.
27. Hof Holland 24 juni 1839, W. 32, p. 2 voor
het gehele betoog.
28. Zie noot 5 voor vermelding. De
niet-ontvankelijkheid volgde door een geschonden procedureregeling.
29. Rb. Utrecht 21 t/m 24 mei 1839 (meerdere
zittingsdagen), W. 26, p. 3-4 (zie met name de slotzin) en Rb. Utrecht
17 mei 1839, W. 27, p. 4. Uitvoerige behandeling of vergelijking is
helaas niet mogelijk.
30. Denk hierbij primair aan de heer Beukman wiens
grond nu onteigend mocht worden en daarnaast kan men denken aan de genoemden in
noot 22 die zowel met praktische als principiële bezwaren kwamen.
31. R. Janssen, ‘De lucratieve terugkomst van
Koning Willem I’, Follow the money 27 november 2013; P. Van der Steen,
‘Willem I en de Algemene Rekenkamer’, Historisch Nieuwsblad 2015, afl. 9
en J. Koch, Koning Willem I. 1772-1843, Amsterdam: Boom 2013.
32. Ingezonden brief van H. onder Mengelwerk in W.
43, p. 3-4.
33. Een onderscheiden, maar soortgelijk probleem
speelde in Engeland ook bij de toekenning van concessies voor de aanleg van
spoorwegen door het parlement en diens leden die over de toewijzing kon
beslissen en tegelijkertijd ook als privépersonen hierin flink investeerden,
waarmee corruptie weeldig tierde.
34. Hof Holland 11 september 1839, W. 49,
p. 2. Zie ook de Utrechtsche provinciale en stads-courant: algemeen
advertentieblad 8 april 1840, p.1.
35. Rotterdamsche courant 9 mei 1840, p. 2.
36. Groninger courant 24 december 1841, p.
2. Zie ook Algemeen Handelsblad 22 december 1841, p. 4.