De strijd om gelijkheid

Geschreven door Andreas Kinneging op 14-07-2020

De mens is een vat vol tegenstellingen. Zeker de mens van nu. Als je hem vraagt: ‘Bestaan goed en kwaad?’, dan zegt hij in negen van de tien gevallen: ‘Nee, goed en kwaad zijn relatief.’ Maar als je dan vraagt: ‘Wat vind je van racisme?’, dan zegt hij in altijd: ‘Dat kan niet, dat mag niet, dat is niet goed.’ Goed, maar dan bestaan goed en kwaad dus wel, zou je zeggen. In ieder geval racisme is een kwaad, en het tegenovergestelde ervan zal dan wel iets goeds zijn. Vraagt men dit vat vol tegenstellingen dit te bevestigen, dan doet hij dat natuurlijk, maar een half uurtje later zal hij toch weer vast geloven in de relativiteit van alle morele oordelen. Tenzij iemand hem vraagt mee te gaan naar een demonstratie tegen racisme.

Is dit ogenschijnlijk irrationele hinken op twee benen te verklaren of staan we hier voor een ultiem mysterium humanitatis, een afgrond zo diep dat we de bodem ervan niet kunnen zien? Ik denk dat er een verklaring is en dat die te zoeken is in het ideaal van de gelijkheid. Volgens mij komen zowel het contemporaine moreel relativisme als het anti-racisme voort uit het diep gevoelde egalitarisme, dat de moderne wereld kenmerkt. Want het relativisme is in feite een uitdrukking van egalitaristische bescheidenheid: ‘Mijn opvatting is echt niet beter dan die van iemand anders. Als iemand anders een andere mening heeft over goed en kwaad is die evengoed als de mijne, want beide meningen zijn gelijk, omdat de mensen die de mening hebben ook gelijk zijn.’ Het anti-racisme anderzijds is evident ook een uitdrukking van egalitarisme: ‘Alles rassen zijn gelijk, geen is er beter dan een ander.’

Terzijde: het woord ‘ras’ heeft de laatste jaren, althans toegepast op mensen —niet op dieren— een wat negatieve bijklank gekregen. Sommige mensen menen dat het gebruik van het woord ‘ras’ zelf al duidt op racisme en geven daarom de voorkeur aan het woord ‘ethnische groep’. In dit licht is het voortgaand gebruik van het woord ‘racisme’ ook wat vreemd natuurlijk. Maar ik heb nog niemand gehoord die ervoor pleit het te vervangen door ‘ethnische-groepisme’. Dat zal wel komen omdat dat niet goed bekt.

Maar terug naar mijn onderwerp. Ik zei: een diep gevoeld egalitarisme. Het egalitarisme is namelijk niet zomaar een opvatting, die men wel of niet kan hebben en waarover men, bij een geconstateerd meningsverschil op cerebrale wijze over zou kunnen discussiëren. Neen, het egalitarisme is de hedendaagse equivalent van het aloude theïsme. Gelijkheid is zijn God. En net als de oude God is ook deze relatief nieuwe God een jaloerse God. Een God die geen andere Goden naast zich duldt. En die, net als de oude God, in grote toorn kan ontsteken. Een toorn die ook zijn aanbidders gemakkelijk in de greep krijgt. Dan ‘omgespen zij hun zwaard, doorkruizen het kamp en slaan eenieder neer’ die in hun ogen God niet, of niet voldoende, of niet op de goede wijze vereert.

Zou het kunnen zijn dat het egalitarisme niet alleen de equivalent is van het oude theïsme, maar een logisch en noodzakelijk voortvloeisel uit de teloorgang van de eerste? Wat zegt het oude theïsme eigenlijk over de gelijkheid? Volgens mij vinden we het antwoord op die vraag meteen aan het begin van de Bijbel, in Genesis 1-3. En dat het zo aan het begin staat heeft een diepere betekenis. Want het begin is het fundament, is de grondslag van alles. Wat is dit fundament? Dat alles in de wereld tezamen een hiërarchisch geheel vormt (Genesis 1-2). Maar dat de mens niet kan accepteren dat hij in die hiërarchie een plaats heeft onder God. Hij wil ‘gelijk zijn aan God’. (Genesis 3:5). Dat nu is de oerzonde, dat is waar het fout gaat. En om die reden wordt hij ook uit het Paradijs verdreven.

De mens heeft zo gezien een diep gevoeld verlangen naar gelijkheid. Hij wil geen God en meester boven zich erkennen. De oude God was echter tegen gelijkheid en zolang Hij leefde in de geesten van de mensen werd dit verlangen dus een beetje in toom gehouden. Maar met zijn teloorgang, zijn de oude Adam en Eva weer teruggekomen en dus ook het ideaal, de nieuwe God van de gelijkheid. Die dus in feite geen nieuwe God is, maar in zekere zin altijd al de God is geweest waar het hart van de mens naar uitging. Alleen is hij tijdelijk onderdrukt door het geloof in de Bijbelse God. Klopt dit? Is het egalitarisme deel van de menselijke natuur? Ik geloof van wel. Laten we, om dat te toetsen, een nadere blik werpen op die natuur.

Wat zijn de voornaamste drijfveren van de mens? Alle religies, wereldbeschouwingen en grote filosofen en theologen zijn het erover eens dat die tweeërlei zijn. Enerzijds zijn wens om te overleven en enigszins comfortabel te leven. Anderzijds zijn wens gerespecteerd te worden. (Bij een zeer kleine groep bestaat nog een derde drijfveer, die soms zelfs de eerste twee in de schaduw kan stellen: de wens te weten hoe de dingen ten diepste in elkaar zitten. Maar dat stellen we hier terzijde, omdat het zo weinig voorkomt.) Zolang de wens of te overleven en comfortabel te leven niet verzekerd is, staat de wens om gerespecteerd te worden op het tweede plan. First things first. Maar zodra de eerste wens is gerealiseerd, richt bijna alle aandacht en energie van de mens zich op de tweede wens: gerespecteerd worden. De meest basale vorm van die wens is de wens niet als mindere gezien en behandeld te worden, maar als gelijke.

Me dunkt dat we nu in staat zijn te begrijpen waarom het egalitarisme anno nu zo sterk naar voren komt en zo diep gevoeld wordt. Dat heeft een dubbele oorzaak. Ten eerste de teloorgang van het Bijbelse geloof, dat eeuwenlang een rem heeft gezet op het egalitarisme dat de mens van nature eigen is. En ten tweede het feit dat nu, voor het eerst in de wereldgeschiedenis, de niet-aflatende strijd om te overleven en om een comfortabel leven voor veel mensen — althans in het Westen — vooralsnog tot een einde is gekomen en men in ongekende bestaanszekerheid en voorspoed leeft, waardoor alle aandacht nu uitgaat naar de verwerkelijking van gelijk respect.

Is die verwerkelijking haalbaar? Niets is zeker en blijvend in dit leven. Ook de bestaanszekerheid en voorspoed niet die vele Westerlingen nu hebben bereikt. Maar als we heel goed ons best doen is het misschien mogelijk deze heel lang vast te houden. Datzelfde geldt voor gelijk respect. Op dit moment is dat soms ver te zoeken. Maar als wel onze stinkende best doen, wie weet?

Het grootste gevaar, de grootste bedreiging daarvoor zijn wijzelf, is de menselijke natuur, is om precies te zijn juist die wens van ons gerespecteerd te worden. Want deze wens is niet alleen maar de wens als gelijke en niet als mindere gezien en behandeld te worden. In werkelijkheid omvat de wens ook nog iets anders, namelijk de wens gezien en behandeld te worden als meerdere van anderen; de meerdere, de superieur, de baas over anderen te zijn. Ook dat ligt diep verankerd in de menselijke natuur. Minstens even diep als de wens niet hun mindere te zijn. Men hoeft geen kernfysicus of ontoloog te zijn om dat te zien. Men kan het overal om zich heen zien. En verreweg de meeste mensen zouden het ook in zichzelf kunnen zien, als ze goed en kritisch naar zichzelf zouden kijken.

Dat maakt dat de strijd tegen ongelijkheid heel snel trekken van hypocrisie en zelfbedrog krijgt. De strijder zit al snel zo hoog te paard dat hij vanuit grote hoogte op zijn medemens neerkijkt en zichzelf ziet als ver verheven boven hen. En dus ook bereid is en zich gerechtvaardigd voelt om hen als minderen te behandelen en zo nodig te vernederen en vertrappen.

Het maakt ook dat de strijd om gelijkheid eigenlijk nooit gewonnen kan worden. Want vrijwel alle betrokkenen zullen, als de gelijkheid eenmaal is bereikt, van nature trachten boven die gelijkheid uit te komen en een positie van leiderschap en heerschappij te bereiken. Een goed voorbeeld daarvan is Zuid-Afrika, waar de ongelijke behandeling van zwarten is ingeruild voor de ongelijke behandeling van blanken. En ook Nederland en andere Westerse landen, waar de ongelijke behandeling van vrouwen is ingeruild voor de ongelijke behandeling van mannen.

Men zag het ook — zelfs in extreme vorm — in de communistische staten weleer en in die welke nu nog bestaan. Meer dan waar en wanneer ook was en is in deze staten de gelijkheid het hoogste officiële doel. Maar in de praktijk van alledag waren en zijn ze bij uitstek hiërarchisch, met een strikte pikorde, waaraan iedereen geacht werd en wordt zich te houden, onder bedreiging met zware straffen.

‘I have a dream that one day this nation will rise up and live out the true meaning of its creed: “We hold these truths to be self-evident: that all men are created equal.” I have a dream that one day on the red hills of Georgia the sons of former slaves and the sons of former slave owners will be able to sit down together at a table of brotherhood. I have a dream that one day even the state of Mississippi, a state, sweltering with the heat of injustice and sweltering with the heat of oppression, will be transformed into an oasis of freedom and justice. I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin but by the content of their character.’ Deze woorden schreef en sprak Martin Luther King in zijn beroemde rede uit 1963. Ik onderschrijf ze van ganser harte. En waar hij spreekt over ‘de natie’, zou ik ‘de wereld’ willen invoegen.

Maar we moeten niet vergeten dat dromen dromen zijn en nooit — in ieder geval niet helemaal — uitkomen. De mens is uit zo krom hout gemaakt, dat is nooit helemaal recht te maken. Zullen racisme en allerlei andere vormen van ongelijke behandeling dus altijd deel uit blijven maken van onze wereld? Ik ben bang van wel. Wat iedereen ín ieder geval van Genesis kan leren is dat de weg naar het Paradijs voorgoed is versperd. En dat komt door onze eigen natuur.

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit Column prof. Kinneging

De Gustibus

Column prof. Kinneging

Killing Fields

Column prof. Kinneging

Gelijkheid of gelijkwaardigheid?

Column prof. Kinneging

Tovenaarsleerling op de apenrots

Column prof. Kinneging