Over het modewoord 'diversiteit'

Geschreven door Andreas Kinneging op 18-05-2018

In de taal heb je net zulke verschillen als in de kleding. Sommige manieren van kleden worden klassiek genoemd, omdat ze niet of nauwelijks, of in ieder geval maar heel langzaam veranderen. De brogue-schoen bijvoorbeeld bestaat al minstens een eeuw en is al die tijd eigenlijk niet veranderd. Het herenpak is nog ouder en al die tijd ook weinig of niet veranderd. Ik geef toe dat men op dit moment veel mannen in veel te kleine pakken ziet rondlopen met veel te korte broeken. Maar dat is mode. En mode is niet klassiek. Mode verandert voortdurend en is meestal lachwekkend, omdat het een afwijking is van de klassieke standaard, die niet voor niets klassiek is geworden. Wie voor gek wil lopen, moet vooral de kledingmode volgen.

Precies hetzelfde geldt voor de taal. De meeste van onze woorden zijn klassiek. Hun betekenis en waarde is door de tijd geschraagd. Men kan erop bouwen en vertrouwen. Ze geven ons houvast. Ze zijn een rots in de branding. Maar ook in de taal is sprake van modes. Woorden komen opeens op en worden overal gebruikt. Er worden conferenties en seminars over georganiseerd, ze staat centraal in politieke en andere beleidsstukken en men kan er vergif op innemen dat een televisiejournalist er vroeger of later over begint. Ik heb in mijn leven al veel van dit soort verbale modes zien ontstaan en er ook vele weer zien vergaan. Google Ngram viewer geeft een fantastisch inkijkje in die materie. Helaas zijn er in dat programma geen data voor het Nederlands, maar de verbale modes alhier zijn over het algemeen parallel aan de modes in de Angelsaksische wereld en in Duitsland, wier woordgebruik wel is te raadplegen. Ngram leert ons bijvoorbeeld dat ‘fundamentalisme’ nog nooit zo in de mode was als nu. ‘Racisme’ was kort voor 2000 op zijn hoogtepunt, maar is duidelijk op zijn retour, evenals bijvoorbeeld ‘discriminatie’. Erg hot daarentegen is op dit moment ‘diversiteit’.

Wat wordt onder ‘diversiteit’ verstaan? Niet dat de groenteboer een veelheid aan groente in de schappen moet hebben liggen. Dat is geen onderwerp van discussie. Al evenmin dat er een diversiteit aan kledingwinkels dient te zijn. Ook daarover maakt niemand zich druk. Nee, diversiteit is een codewoord voor de eis dat er ‘meer vrouwen op de tot nog toe door mannen gedomineerde werkvloer’ moeten komen. Tot voor kort werd in dit verband gesproken van ‘positieve discriminatie’, die algemeen werd omschreven als de wenselijkheid ‘bij gelijke geschiktheid voor een baan’ een vrouw de voorkeur te geven boven een man. Dat begrip is echter geheel en al van tafel. Daar spreekt nu geen hond meer van. In plaats van ‘positieve discriminatie’ is het nu ‘diversiteit’.

De twee begrippen zijn niet synoniem. Beide nemen het voor de vrouw op, maar ‘diversiteit’ gaat verder. ‘Positieve discriminatie’ geeft de voorkeur aan een vrouw bij gelijke geschiktheid, ‘diversiteit’ impliceert dat altijd de voorkeur moet worden gegeven aan een vrouw, als er proportioneel te weinig vrouwen werkzaam zijn bij een organisatie en betrokkene voldoende gekwalificeerd is. Dat betekent dat in zulke gevallen een meer gekwalificeerde man dus het onderspit delft en niet wordt aangenomen. In de praktijk zal het er meestal op neerkomen dat men niet eens kijkt naar mannelijke sollicitanten. Man zijn is dan op zich al voldoende om afgewezen te worden.

Ik heb —ik zeg het maar ronduit— grote bezwaren tegen dit modieuze begrip en ben van mening dat hoe sneller deze mode weer is overgewaaid, des te beter. Zoals U van mij gewend bent, zal ik dit standpunt nu met kracht van argumenten adstrueren. Mogen ze een steentje bijdragen tot de terugkeer naar een klassieker taalgebruik!

Om te beginnen kan wie pleit voor diversiteit zich redelijkerwijs niet beperken tot het vergroten van het aantal vrouwen in organisaties. Diversiteit betekent ook diversiteit in huidskleur, in religie, in etnische achtergrond. En als we dat pad opgaan, waarom dan niet ook rekening gehouden met leeftijd, lichamelijke en geestelijke gezondheid? Of zelfs lengte en gewicht? Kleine en dikke mensen worden veelal achtergesteld, dat is bekend. Als diversiteit het doel is, kan men dus onmogelijk volstaan met wat in de praktijk neerkomt op het verhogen van het aantal witte vrouwen met een Nederlandse of Westerse achtergrond. Zo gezien kunnen we pas tevreden zijn als elke organisatie een perfecte afspiegeling is van de Nederlandse samenleving —of de wereldsamenleving— in al haar diversiteit. Zoals het begrip nu wordt uitgelegd, werkt diversiteit simpelweg discriminerend in het voordeel van de witte, Nederlandse of Westerse vrouw. Me dunkt dat de verdedigers van diversiteit dit op geen enkele manier kunnen uitleggen of verdedigen, aan anderen noch aan zichzelf.

In de tweede plaats hebben de pleiters voor diversiteit een nogal elitaire inslag. Het begrip wordt alleen in de mond genomen en als strijdkreet gebruikt waar banen van het hoogste niveau en de hoogste status aan de orde zijn: universiteiten, de politiek, de topregionen van grote organisaties, e.d. Wie zich werkelijk druk maakt om een gebrek aan diversiteit zou zich echter ook sterk moeten maken voor diversiteit bij de vuilnisophaaldiensten bijvoorbeeld, in de bouw, in het vrachtwagenvervoer, of op de grote vaart en in de kustzeevaart. Daarover hoort men echter nooit iemand.

Het lijkt er, kortom, sterk op dat het woord ‘diversiteit’ vooral een stuk retoriek is, dat bijzonder fraai klinkt —wie kan er nou tegen diversiteit zijn?—, maar op de keper beschouwd vooral een truc is om het belang van één bepaalde groep te dienen: de hoog opgeleide, witte, Westerse vrouw. Dat lijkt me niet in de haak. Het moet altijd gaan om het algemeen belang, niet om het belang van één deelgroep in de samenleving. Het belang van de hoog opgeleide witte, Westerse man mag niet leidend zijn, maar evenmin het belang van diens vrouwelijke evenknie.

Me dunkt dat we een geheel andere kant op moeten. Ik zou willen pleiten voor het hanteren van slechts één criterium: kwaliteit. De best gekwalificeerde voor het werk moet de baan krijgen. Of die nou man of vrouw is, klein of groot, dik of dun, oud of jong, Nederlander of van elders, gehandicapt of niet, en van welke kleur, religie en etnische achtergrond dan ook. Het doet er allemaal niets toe. Zo gezien maakt dus de samenstelling wat bovengenoemde criteria betreft dus niets uit. De rechterlijke macht, of het hooglerarencorps, of de Algemene Bestuursdienst (waarvan alle topambtenaren deel uitmaken), kan wat mij betreft voor honderd procent bestaan uit vrouwen, of mensen van Surinaamse achtergrond, of obese dwergen, als het maar de meest gekwalificeerde mensen zijn voor de baan. Deze opvatting is niet een idiosyncrasie van mij persoonlijk. Het is de klassieke opvatting, die eigenlijk altijd gegolden heeft en al door Plato in zijn grote werk de Politeia op maatgevende wijze is beargumenteerd.

Natuurlijk is het soms moeilijk objectieve criteria te vinden voor kwaliteit. Paradoxaal genoeg geldt dat vooral voor de zogenaamde hogere beroepen. De kwaliteit van een loodgieter of een fysiotherapeut is over het algemeen vrij duidelijk en gemakkelijk te achterhalen. Maar voor academici ligt het lastiger. Hoe meet je bijvoorbeeld de kwaliteit van een tandarts of een advocaat? Toch lukt ook dat ons toch wel min of meer.

Waarbij het echt misgaat en het kwaliteitscriterium alleen te weinig houvast geeft, zijn de beroepen waarbij mens- en wereldbeschouwing enerzijds en dat wat men doet in zijn werk nauw met elkaar verbonden zijn. Denk aan journalisten en aan hoogleraren en docenten in andere vakken dan de natuurwetenschappen. Daar is bijna niemand in staat om kwaliteit te onderscheiden van de mate waarin een mens- en wereldbeschouwing wordt gedeeld. Men beschouwt doorgaans degene met wie men het eens is als van hoge kwaliteit en wie een andere mening is toegedaan als ‘van onvoldoende gewicht’. Deze balk in het oog is niet te verhelpen, ben ik bang.

Om die reden is het van groot belang juist hier, naast het kwaliteitscriterium, nog een tweede criterium te hanteren, namelijk diversiteit. Maar dan niet de diversiteit zoals die hierboven is besproken en bekritiseerd. Daar ging het om eigenschappen die irrelevant zijn. De enige diversiteit die er toe doet en die wezenlijk is om te waarborgen dat de kwaliteit in de journalistiek, de geesteswetenschappen, de sociale wetenschappen, de rechtsgeleerdheid en elders gewaarborgd blijft, is een diversiteit aan opvattingen. Daarop zou scherp moeten worden toegezien, iets wat in de praktijk helemaal niet gebeurd. Integendeel. Maar hoe divers een organisatie qua externe eigenschappen ook is —geslacht, religieuze en etnische achtergrond, leeftijd etc.— als iedereen min of meer dezelfde mens- en wereldbeschouwing deelt en uitdraagt, is dat de dood in de pot voor het nadenken, de intellectuele vorming en de waarheidsvinding, die zoals bekend een ‘clash of opinions’ vereist.


Verschenen in de NOVUM van mei 2018.

Terug naar nieuwsoverzicht


Meer artikelen uit Column prof. Kinneging

Tovenaarsleerling op de apenrots

Column prof. Kinneging

Morele achteruitgang

Column prof. Kinneging

Over Weinstein en de weloverwogen wil

Column prof. Kinneging

Wat de heren wijzen...

Column prof. Kinneging